Terug naar Geschriften
Deel 1|10 augustus 2026NL

De vraag die niet weggaat

11 minuten leestijd

Waarom bestaat er zoveel kwaad en lijden als God goed is? Die vraag wordt niet opgelost met één antwoord over vrije wil, een gevallen wereld of een groter plan. Sommige vormen van kwaad zijn te ernstig om snel te verklaren. Deze opening van de reeks onderzoekt daarom eerst wat de vraag werkelijk vraagt, welke antwoorden tekortschieten en waarom geloof niet betekent dat wij moeten doen alsof ieder lijden begrijpelijk is. Tegelijk verschuift de blik ook naar de mens zelf. Want terwijl wij vragen waar God was, dwingt de Schrift ons eveneens te vragen waar wij waren, wat wij hebben gedaan en wat wij hebben nagelaten.

Onderdeel van de reeks

Waarom is er kwaad?

Deel 1 van 18

Bekijk de volledige reeks

Er bestaan vragen die verdwijnen wanneer wij meer kennis verzamelen. Andere worden juist zwaarder naarmate wij langer kijken. De vraag naar het kwaad behoort tot die laatste categorie. Het is relatief eenvoudig over kwaad te spreken zolang het abstract blijft. Vrije wil, zonde, oordeel, een gevallen wereld en Gods voorzienigheid kunnen dan begrippen worden waarmee wij een samenhangend antwoord proberen te bouwen. Maar zodra het woord kwaad een gezicht krijgt, verandert de vraag. Een kind dat wordt misbruikt. Een mens die jarenlang wordt verhandeld alsof hij bezit is. Een gezin dat een kind verliest aan ziekte. Mensen die worden gemarteld, verkracht of vermoord. Een mens die bidt en geen bevrijding ziet komen. Dan is de vraag niet langer alleen hoe kwaad theoretisch mogelijk is. Dan wordt zij persoonlijk: waar is God wanneer dit gebeurt?

De Schrift verbiedt ons die vraag niet. Integendeel. De Bijbel bevat de stem van mensen die God juist vanuit hun geloof ter verantwoording lijken te roepen. “Hoe lang nog?” klinkt door de Psalmen. Job vraagt waarom zijn leven getroffen wordt terwijl hij de verklaring van zijn vrienden weigert te aanvaarden. Habakuk ziet geweld en vraagt waarom God het aanschouwt. De klacht is dus niet vreemd aan geloof. Soms ontstaat zij juist doordat iemand God werkelijk als goed en rechtvaardig kent. Als God niet goed zou zijn, zou het kwaad nauwelijks een theologisch probleem vormen. Het probleem ontstaat omdat de werkelijkheid soms verschrikkelijk slecht lijkt en wij tegelijkertijd belijden dat haar Schepper goed is.

Dat maakt eenvoudige antwoorden gevaarlijk.

Een veelgehoord antwoord is dat God de mens vrije wil heeft gegeven en daarom kwaad moet toelaten. Daar zit waarheid in. Zonder werkelijke handelingsruimte zou menselijke gehoorzaamheid nauwelijks dezelfde betekenis hebben. Liefde die alleen bestaat omdat elke andere mogelijkheid technisch onmogelijk is gemaakt, is iets anders dan liefde die werkelijk wordt gewild. De Schrift behandelt menselijke keuzes bovendien als werkelijk. Kaïn doodt Abel. Farao verhardt zich. David misbruikt zijn positie. Judas verraadt Christus. Mensen worden niet beschreven als acteurs die slechts uitvoeren wat buiten hen besloten is. Zij worden verantwoordelijk gehouden.

Maar vrije wil verklaart niet alles. Iemand kan werkelijk kwaad willen zonder onbeperkte macht te hebben om zijn verlangen uit te voeren. Een mens die een kind wil beschadigen, verliest zijn wil niet wanneer iemand hem tegenhoudt. Zijn intentie blijft de zijne. Daarom blijft na ieder beroep op vrijheid een moeilijkere vraag bestaan: waarom wordt de macht om kwaad te doen soms niet begrensd voordat een kwetsbaar mens wordt vernietigd?

Ook de uitspraak dat alles met een reden gebeurt, helpt ons hier weinig. Zij kan zelfs gevaarlijk worden. Wanneer wij zonder openbaring zeggen dat een specifiek kind moest lijden omdat God daarmee een groter doel had, maken wij het slachtoffer tot middel. Misschien kan God uit verschrikkelijke gebeurtenissen werkelijk iets goeds voortbrengen. Genesis laat Jozef tegen zijn broers zeggen dat zij kwaad bedoelden terwijl God dezelfde geschiedenis ten goede heeft gekeerd. Het kruis laat nog radicaler zien dat menselijk verraad, machtsmisbruik en geweld Gods uiteindelijke bedoeling niet kunnen vernietigen. Maar daaruit volgt niet dat kwaad goed wordt zodra God het overwint. Het vermogen van God om uit gebrokenheid iets goeds voort te brengen is niet hetzelfde als de bewering dat de gebrokenheid daarom noodzakelijk was.

Dat onderscheid moet door deze hele reeks heen worden bewaakt.

Wij zullen daarom niet proberen het kwaad zo lang te rationaliseren totdat het begrijpelijk of zelfs noodzakelijk begint te lijken. Misschien is dat helemaal niet wat de Schrift van ons vraagt. De Bijbel eindigt niet met een filosofische verklaring waarin ieder slachtoffer uiteindelijk hoort waarom zijn lijden onvermijdelijk was. Zij eindigt met oordeel, opstanding, een vernieuwde schepping, de dood die verdwijnt en God die bij de mens woont. Het uiteindelijke antwoord op het kwaad lijkt daardoor niet alleen een uitleg te zijn. Het is een daad van rechtzetting.

Toch zou het eveneens te gemakkelijk zijn om alleen naar God te wijzen.

Vanaf de eerste hoofdstukken van Genesis is de mens geen passieve bewoner van de schepping. Hij ontvangt verantwoordelijkheid. De mens wordt naar Gods beeld geschapen en krijgt een plaats binnen de geschapen orde. Hij moet bewerken, bewaren, heersen en verantwoordelijkheid dragen. Wanneer die roeping breekt, verschijnt onmiddellijk niet alleen ongehoorzaamheid tegenover God, maar ook verantwoordelijkheid tegenover de ander. Nadat Kaïn zijn broer heeft gedood, vraagt God: “Waar is Abel, uw broer?” Kaïns antwoord is veelzeggend: “Ben ik de hoeder van mijn broer?”

Die vraag blijft door de Schrift heen klinken.

De Bijbelse geschiedenis antwoordt in steeds nieuwe vormen dat een mens niet alleen voor zichzelf leeft. De sterke draagt verantwoordelijkheid tegenover de zwakke. De rechter moet recht doen. De koning moet niet uitbuiten. De vreemdeling mag niet worden onderdrukt. De wees en de weduwe moeten worden beschermd. De hongerige moet worden gevoed. De gewonde langs de weg mag niet worden achtergelaten. Wie weet het goede te doen en het niet doet, zegt Jakobus, zondigt.

Daarom moeten bij moreel kwaad twee vragen naast elkaar blijven staan.

Waar was God?

Maar ook: waar was de mens?

Bij extreme vormen van misbruik is de eerste schuld die van de dader. Die verantwoordelijkheid mag nooit worden verdund. Daarnaast kan er verantwoordelijkheid bestaan bij mensen die signalen zagen, iets konden weten, een positie van bescherming hadden of werkelijk hadden kunnen ingrijpen en dat niet deden. Niet iedereen rondom een slachtoffer is daarom automatisch schuldig. Schuld moet rekening houden met kennis, mogelijkheid en verantwoordelijkheid. Maar nalatigheid bestaat werkelijk. Een wereld kan niet alleen donker worden doordat sommige mensen kwaad willen. Zij kan ook donker worden doordat anderen op beslissende momenten het goede niet doen.

Dat brengt een ongemakkelijke correctie aan in onze vraag naar God. Wij kunnen de hemel aanklagen omdat een kind niet werd beschermd, terwijl soms ouders, instellingen, gemeenschappen, autoriteiten of andere mensen precies die verantwoordelijkheid hadden ontvangen. Dat neemt Gods macht niet weg. Het verklaart niet waarom Hij niet alsnog rechtstreeks ingreep. Maar het verhindert wel dat wij onze eigen plaats uit het probleem schrijven.

Mozes maakt dit zichtbaar. Wanneer God het lijden van Israël in Egypte ziet, zegt Hij dat Hij hun geroep heeft gehoord en hun leed kent. Op dat punt zouden wij kunnen verwachten dat God alles eenvoudig zonder menselijke tussenkomst oplost. Maar vervolgens roept Hij Mozes en zegt in wezen: Ik zend jou naar Farao. God ziet. God hoort. God wil bevrijden. En een mens wordt geroepen om binnen die bevrijding te handelen.

Dat patroon verschijnt steeds opnieuw. Abraham pleit. Mozes bemiddelt. Profeten spreken. Rechters moeten recht doen. Apostelen worden gezonden. In het Nieuwe Testament wordt de gemeenschap van gelovigen zelfs het lichaam van Christus genoemd. God behandelt menselijke deelname kennelijk niet als decoratie. Hij vertrouwt mensen werkelijke verantwoordelijkheid toe.

Daarmee krijgt zonde een diepere betekenis. Zonde is niet alleen het kwaad dat ik actief doe. Zij kan ook bestaan uit het goede dat mij was toevertrouwd en dat door mijn nalatigheid niet plaatsvond. Misschien is één van de ernstige gevolgen van de menselijke breuk met God dat niet alleen verkeerde daden de wereld binnenkomen, maar ook lege plaatsen waar bescherming, waarheid, moed en barmhartigheid hadden moeten staan.

Toch blijven er vormen van lijden waarbij deze verklaring nauwelijks helpt. Een jong kind met een dodelijke ziekte heeft niet noodzakelijk een menselijke dader. Een aardbeving heeft geen kwade bedoeling. Een lichaam kan aftakelen zonder dat iemand daarvoor gekozen heeft. Hier wordt de vraag groter dan menselijke moraliteit. Paulus schrijft in Romeinen 8 over de schepping zelf die aan vergankelijkheid is onderworpen, die zucht en wacht op bevrijding. De Schrift beschrijft dus niet alleen een zondige mensheid, maar ook een geschapen werkelijkheid waarin verval en dood heersen.

Ook dat zullen wij moeten onderzoeken. Wat betekent het dat de schepping zucht? Hoe verhoudt dood zich tot zonde? Was de oorspronkelijke mens uit zichzelf onsterfelijk, of leefde hij altijd als ontvanger van leven? Waarom stond de boom des levens al vóór de val in Eden? Wat zegt dat over de verhouding tussen schepsel en Schepper?

Daarnaast zijn er nog moeilijkere Bijbelteksten. Dezelfde Schrift die God presenteert als verdediger van weduwen, wezen en verdrukten bevat de vloed, de plagen van Egypte, de dood van de eerstgeborenen en de oorlogen rond Kanaän. Daar kunnen wij het kwaad niet eenvoudig buiten God plaatsen en zeggen dat alleen mensen handelen. In sommige teksten wordt God zelf expliciet als Rechter gepresenteerd.

Ook daar zullen wij niet omheen lopen.

Als wij werkelijk willen onderzoeken of Gods goedheid standhoudt tegenover het kwaad, moeten wij niet alleen naar teksten kijken waarin Christus een zieke geneest of bij het graf van Lazarus weent. Wij moeten ook de teksten onder ogen zien die ons ongemakkelijk maken. Een geloof dat alleen overeind blijft doordat moeilijke passages worden vermeden, is te kwetsbaar voor de vraag die wij stellen.

Tegelijk moeten wij onderscheid leren maken. Historisch oordeel is niet automatisch hetzelfde als het uiteindelijke oordeel over iedere individuele persoon. Collectieve gevolgen zijn niet hetzelfde als persoonlijke schuld. Een kind draagt niet automatisch de schuld van zijn vader omdat het wel door diens keuzes geraakt wordt. De Schrift zelf maakt zulke onderscheidingen. Daarom zullen we voorzichtig moeten lezen voordat we grote uitspraken doen over wat een oordeelstekst betekent voor het eeuwige lot van ieder mens die erin sterft.

Door dit alles heen verschijnt nog een andere beweging. De Bijbelse geschiedenis lijkt op het eerste gezicht soms alsof God verschillende manieren probeert om met zonde om te gaan. Er is oordeel, wet, offer, profetie, ballingschap, vergeving en uiteindelijk Christus. Maar misschien zien wij niet God die gaandeweg ontdekt wat werkt. Misschien zien wij een geschiedenis waarin steeds duidelijker wordt hoe diep het probleem werkelijk zit.

Oordeel kan kwaad begrenzen, maar het vernieuwt daarmee nog niet het hart.

Wet kan het goede bekendmaken, maar kennis van het goede is niet hetzelfde als het goede liefhebben.

Een offer kan schuld adresseren, maar het voltooit daarmee nog niet de mens.

Daarom beginnen de profeten te spreken over een nieuw hart, een nieuwe geest en Gods wet die in het binnenste geschreven wordt.

En vervolgens verschijnt Christus.

Daar wordt de vraag naar het kwaad uiteindelijk ook een vraag naar wat mens-zijn eigenlijk bedoeld was te zijn. Christus is niet slechts degene die iets voor de mens doet. Hij wordt in het Nieuwe Testament ook tegenover Adam geplaatst. Waar de mens grijpt, ontvangt Hij. Waar de mens zichzelf tot maat maakt, leeft Hij in volmaakte gemeenschap met de Vader. Waar de menselijke wil zich van God losmaakt, klinkt in Getsemane een menselijke wil die werkelijk bestaat en toch volledig aan de Vader wordt toevertrouwd.

Misschien wordt daar zichtbaar dat vrijheid niet hetzelfde is als de eeuwige mogelijkheid om tegen het goede te kiezen. God is vrij en liegt niet. Christus is volkomen mens en zonder zonde. De hoop van de nieuwe schepping is niet dat mensen opnieuw eeuwig op de grens van een nieuwe val blijven staan. Zij is dat vrijheid en heiligheid uiteindelijk volledig met elkaar verenigd worden.

Dat brengt ons bij een gedachte die tijdens deze zoektocht steeds belangrijker is geworden: misschien werd de mens niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is. En misschien werd wat hij ontvangt hem ook gegeven om binnen de schepping te dragen.

Dan wordt de oorspronkelijke verleiding veel scherper. Het probleem is niet dat de mens groot wilde worden terwijl God hem klein wilde houden. Misschien was zijn bestemming juist buitengewoon groot. Het probleem was dat hij wilde nemen wat ontvangen moest worden en zelfstandig wilde bezitten wat alleen in gemeenschap met de Bron werkelijk leven blijft.

Maar zelfs wanneer wij dit allemaal zien, blijft één vraag staan die wij niet mogen verdrinken in onze eigen theologie.

Waarom werd dit kind niet beschermd?

Waarom werd deze mens niet gered voordat het kwaad plaatsvond?

Waarom werd dit lichaam niet genezen?

Waarom werd die oorlog niet gestopt?

Daar hebben wij nog geen volledig antwoord op.

Misschien krijgen wij dat in deze reeks ook niet.

Dat is geen uitnodiging om het denken te staken. Integendeel. Wij zullen diep de Schrift ingaan. Wij zullen Genesis, Job, de Psalmen, de profeten, de woorden van Christus, Paulus, Hebreeën en Openbaring naast elkaar leggen. Vroege christelijke denkers zullen soms als secundaire spiegel dienen waar zij ons kunnen helpen scherper te lezen. Maar waar de Schrift zwijgt, moeten wij voorzichtig worden met onze eigen zekerheid.

Want misschien is één van de ernstigste fouten die wij tegenover een lijdend mens kunnen maken dat wij hem een reden geven die God zelf nooit gegeven heeft.

Daarom zal deze reeks niet proberen te bewijzen dat ieder kwaad noodzakelijk was.

Zij zal proberen te begrijpen wat de Schrift werkelijk zegt over goed en kwaad, vrijheid en macht, schuld en gevolg, oordeel en barmhartigheid, menselijke verantwoordelijkheid en goddelijke voorzienigheid, lijden en groei, Christus en de nieuwe schepping.

Waar begrijpen mogelijk is, zullen we proberen te begrijpen.

Waar begrijpen ophoudt, zullen we de klacht niet verbieden.

En waar verantwoordelijkheid begint, mogen we ons niet achter het mysterie verschuilen.

Want misschien is de vraag naar het kwaad uiteindelijk niet alleen een vraag die wij aan God stellen.

Misschien stelt God in dezelfde geschiedenis ook een vraag aan ons:

Waar is uw broer?