De grens van het schepsel
11 minuten leestijd
De mens is naar Gods beeld geschapen en ontvangt daarmee een uitzonderlijke waardigheid en verantwoordelijkheid. Maar beeld-zijn is niet hetzelfde als bron-zijn. Dit deel onderzoekt de grens tussen Schepper en schepsel, de betekenis van de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad, en waarom afhankelijkheid van God geen tekort is maar een wezenlijk onderdeel van mens-zijn.
Na de vraag waar kwaad vandaan komt, moeten we een stap terug doen naar de mens zelf. Wie is hij eigenlijk binnen de orde die God geschapen heeft? Die vraag is belangrijk, omdat de eerste zonde alleen goed begrepen kan worden wanneer duidelijk is welke plaats de mens oorspronkelijk ontving.
Genesis 1 zegt dat de mens naar Gods beeld en gelijkenis wordt geschapen. Dat is één van de meest verheven uitspraken over de mens in de hele Schrift. De mens is niet zomaar één levend wezen tussen andere levende wezens. Hij ontvangt een bijzondere positie binnen de schepping en krijgt verantwoordelijkheid over wat God gemaakt heeft.
Maar juist daar begint ook de grens.
De mens is naar Gods beeld geschapen.
Hij is niet God.
Dat verschil lijkt eenvoudig, maar het raakt de kern van de val.
Het Hebreeuwse woord voor beeld, tselem, wijst op representatie. Demut, gelijkenis, wijst op overeenkomst zonder identiteit. De mens draagt iets van Gods beeld in de schepping, maar hij bezit Gods wezen niet. Hij vertegenwoordigt, weerspiegelt en ontvangt. Hij is geen zelfstandige bron van bestaan, waarheid of goedheid.
Genesis 2 maakt dat onmiddellijk concreet. De mens vormt zichzelf niet. God vormt hem uit stof van de aarde en blaast levensadem in hem. Zijn eerste adem is ontvangen.
Dat is veelzeggend.
De mens begint zijn bestaan niet als autonome kracht.
Hij begint als ontvanger.
Ook zijn omgeving is ontvangen. De tuin wordt door God geplant. Voedsel wordt gegeven. Werk wordt toevertrouwd. Relatie wordt gegeven. Zelfs de taak om te bewerken en te bewaren is geen zelfgekozen project, maar roeping.
Dat betekent dat afhankelijkheid niet pas na de val ontstaat.
Afhankelijkheid behoort tot de oorspronkelijke goede orde.
Dat is een belangrijk inzicht, omdat wij afhankelijkheid gemakkelijk verbinden met zwakte of tekort. Genesis doet dat niet. De mens is volledig mens juist binnen een werkelijkheid waarin hij zijn leven ontvangt.
Misschien is daarom één van de diepste misleidingen van de slang dat afhankelijkheid als beperking wordt gepresenteerd.
De mens heeft overvloed.
Maar de slang richt zijn aandacht op de grens.
Dat verandert de betekenis van de werkelijkheid.
Wat eerst ontvangenheid was, kan ineens als gebrek worden ervaren.
Wat bescherming of orde was, kan als onthouding worden gelezen.
Wat een grens van schepsel-zijn was, kan voelen als iets dat overwonnen moet worden.
Daarom is de boom van kennis van goed en kwaad zo belangrijk.
De tekst zegt niet dat kennis op zichzelf slecht is. Evenmin wordt de boom beschreven als iets kwaads. Hij staat in Gods tuin.
Het probleem ligt in het gebod.
De mens mag niet eten.
Dat betekent dat de boom een grens markeert.
Niet omdat God de mens klein wil houden, maar omdat er werkelijk onderscheid bestaat tussen Schepper en schepsel.
Dat onderscheid is geen fout in de schepping.
Het is onderdeel van haar orde.
De mens kan veel ontvangen zonder alles te bezitten.
Hij kan wijsheid ontvangen zonder zelf de bron van wijsheid te worden.
Hij kan macht ontvangen zonder ultieme macht te bezitten.
Hij kan werkelijk handelen zonder zichzelf tot oorsprong van waarheid te maken.
Daarom moeten we voorzichtig zijn met de formulering dat de mens in Genesis 3 “zelf goed en kwaad wil bepalen”. De tekst zegt dat niet letterlijk. Er staat dat de mens kennis van goed en kwaad verlangt en verkrijgt.
Toch is er duidelijk sprake van een overschrijding. De mens neemt wat God hem niet gegeven heeft om op die manier toe te eigenen.
Dat maakt de tegenstelling tussen ontvangen en grijpen steeds belangrijker.
De mens was niet zonder waardigheid.
Hij was niet klein.
Hij was niet buitengesloten van Gods goedheid.
Juist het tegenovergestelde.
Hij had reeds meer ontvangen dan wij gemakkelijk beseffen.
Hij draagt Gods beeld.
Hij leeft in Gods tuin.
Hij spreekt met God.
Hij ontvangt verantwoordelijkheid.
Hij ontvangt gemeenschap.
En toch wordt hij verleid door de gedachte dat er iets wezenlijks ontbreekt.
Misschien begint de val daarom bij een valse ervaring van gebrek.
Niet een werkelijk gebrek dat God geschapen heeft, maar een tekort dat door de leugen wordt geconstrueerd.
De slang zegt in wezen: je hebt veel, maar niet genoeg.
Daarmee wordt een schepsel dat in overvloed leeft geleerd zichzelf als tekort te zien.
Dat mechanisme kennen wij nog steeds.
Een mens kan veel ontvangen en toch gaan geloven dat hij pas compleet is wanneer hij iets bezit wat niet van hem is.
Macht.
Erkenning.
Controle.
Kennis.
Een ander mens.
Vrijheid zonder grens.
De begeerte wordt niet altijd geboren uit werkelijke armoede. Soms wordt zij geboren uit het idee dat ontvangenheid minderwaardig is.
Daarmee wordt Genesis 3 bijna een crisis van identiteit.
De mens was beeld van God.
De slang biedt hem een andere weg naar godgelijkheid.
Dat is de ironie.
De mens die reeds naar Gods beeld geschapen is, probeert “als God” te worden door buiten Gods woord om te handelen.
Daarmee wordt beeld-zijn losgemaakt van relatie.
En dat is misschien precies wat niet kan.
Een beeld bestaat alleen als beeld in verhouding tot datgene waarvan het beeld is.
Wanneer de mens zichzelf als zelfstandige bron probeert te behandelen, verliest hij niet automatisch zijn geschapen waardigheid, maar hij beschadigt wel de wijze waarop die waardigheid bedoeld was te bestaan.
Dat helpt ook om de boom des levens beter te begrijpen.
Genesis 2 noemt naast de boom van kennis ook de boom des levens.
Daar is vóór de val geen verbod aan verbonden.
Dat is belangrijk.
De mens leeft dus in een tuin waar leven niet alleen als biologische vanzelfsprekendheid verschijnt, maar ook zichtbaar verbonden is aan een gave binnen Gods orde.
Na de val verandert dat. Genesis 3 zegt dat toegang tot de boom des levens wordt afgesloten, opdat de mens niet eet en eeuwig leeft in zijn gevallen toestand.
Daaruit kunnen we niet zonder meer concluderen dat Adam alleen in leven bleef door voortdurend van die boom te eten. De tekst zegt dat niet.
Maar de boom laat wel iets zien dat canoniek belangrijk wordt: onvergankelijk leven is geen autonoom bezit van de mens.
Leven blijft ontvangen.
Dat past bij de rest van de Schrift.
God alleen is uiteindelijk de Bron van leven.
Eeuwig leven wordt gegeven.
Opstanding wordt gegeven.
Onvergankelijkheid wordt gegeven.
Dat betekent dat menselijke afhankelijkheid geen tijdelijke fase is die later moet verdwijnen.
Zelfs de uiteindelijke mens wordt niet zelfstandig van God.
Hij ontvangt juist voller.
Dat verandert hoe wij naar menselijke bestemming moeten kijken.
Misschien is Gods bedoeling nooit geweest dat de mens uiteindelijk zo zelfstandig zou worden dat hij God niet meer nodig had.
Dat zou geen volwassenheid zijn.
Dat zou de ontkenning van schepsel-zijn zijn.
Volwassenheid moet dus iets anders betekenen.
Niet minder afhankelijk.
Maar bewuster afhankelijk.
Niet passiever.
Maar vrijer binnen relatie.
Niet klein gehouden.
Maar juist steeds dieper in staat om te ontvangen en te dragen wat van God komt.
Dat is belangrijk, omdat het christelijke geloof soms onbedoeld kan worden voorgesteld alsof God de mens klein houdt om zijn eigen grootheid te beschermen.
Genesis geeft daar weinig grond voor.
De mens ontvangt juist een buitengewoon hoge roeping.
Hij wordt naar Gods beeld geschapen.
Hij krijgt verantwoordelijkheid over de aarde.
Later zal de Schrift spreken over zoonschap, erfenis, heerlijkheid, deelname aan Christus' werk en uiteindelijk regeren met Hem.
De mens lijkt dus niet geschapen voor kleinheid.
Hij is geschapen voor ontvangen grootheid.
Maar precies daarin blijft de grens bestaan.
Hij is niet de Bron.
Die grens is geen vernedering.
Zij is waarheid.
Daarom is de val misschien niet alleen ongehoorzaamheid, maar een poging om de structuur van ontvangen bestaan te verlaten.
De mens wil niet alleen ontvangen wat goed is.
Hij wil het bezitten buiten de relatie waarbinnen het goed blijft.
Daarmee wordt ook kennis anders.
Kennis binnen gemeenschap met God kan wijsheid worden.
Kennis buiten waarheid kan controle worden.
Macht binnen liefde kan dienstbaarheid worden.
Macht buiten liefde kan overheersing worden.
Vrijheid binnen waarheid kan volwassen verantwoordelijkheid worden.
Vrijheid los van waarheid kan zichzelf vernietigen.
Het probleem zit dus niet in de gave zelf.
Het zit in de verhouding.
Dat is belangrijk voor de rest van deze reeks.
Wanneer wij later kijken naar macht, geweld, misbruik en menselijke verantwoordelijkheid, zullen we steeds opnieuw hetzelfde patroon zien. Veel kwaad ontstaat doordat iets dat in zichzelf goed of neutraal kan zijn wordt losgemaakt van zijn juiste orde.
Gezag wordt dominantie.
Seksualiteit wordt exploitatie.
Kennis wordt manipulatie.
Vrijheid wordt onverschilligheid.
Bescherming wordt controle.
Verlangen wordt toe-eigening.
Daarmee wordt de grens van het schepsel geen abstracte theologische kwestie.
Zij wordt uiterst concreet.
Een mens die vergeet dat hij ontvanger is, begint gemakkelijk te handelen alsof andere mensen bezit zijn.
Als ik mezelf als uiteindelijke bron van betekenis behandel, wordt de ander al snel middel voor mijn verlangen.
Als mijn wil uiteindelijk maatgevend is, wordt grens hinderlijk.
Als mijn macht niets boven zich erkent, wordt verantwoordelijkheid gemakkelijk vervangen door beheersing.
Daarom raakt de oorspronkelijke grens in Eden aan veel latere vormen van kwaad.
De eerste grens is niet alleen een test.
Zij onthult wat mens-zijn betekent.
De mens kan werkelijk handelen.
Hij kan veel ontvangen.
Hij kan veel dragen.
Maar hij blijft schepsel.
Dat is geen tekort dat overwonnen moet worden.
Het is de voorwaarde waaronder zijn vrijheid goed kan bestaan.
Hier moeten we ook een belangrijke nuance bewaren. De Schrift zegt niet dat iedere grens automatisch goed is. Mensen kunnen onrechtvaardige grenzen opleggen. Machthebbers kunnen vrijheid onderdrukken en daarna beweren dat gehoorzaamheid de hoogste deugd is.
De grens van Eden is anders.
Zij komt van de Schepper binnen een orde die als goed wordt beschreven.
Daarom kan menselijke gehoorzaamheid nooit simpelweg gebruikt worden om iedere menselijke machtsstructuur te rechtvaardigen.
De Bijbel zelf laat juist zien dat profeten koningen tegenspreken, apostelen mensen meer gehoorzamen aan God dan aan menselijke autoriteit wanneer die twee botsen, en Christus religieuze macht confronteert wanneer zij Gods bedoeling verdraait.
De diepste gehoorzaamheid behoort daarom niet aan menselijke macht.
Zij behoort aan God.
En precies daarom kan menselijke macht begrensd worden.
Dat brengt ons terug bij de boom.
De grens zegt niet alleen iets tegen de mens.
Zij zegt ook iets over de structuur van macht.
Zelfs de mens die over de aarde mag heersen, staat onder God.
Zijn heerschappij is afgeleid.
Zijn gezag is ontvangen.
Zijn vrijheid is werkelijk, maar niet absoluut.
Dat principe zal later essentieel blijken bij het probleem van kwaad.
Veel van het ergste menselijke kwaad ontstaat waar ontvangen macht zichzelf absoluut begint te behandelen.
Daarom is de grens van het schepsel uiteindelijk niet alleen een grens van beperking.
Het is ook een grens die anderen beschermt.
Wanneer de mens weet dat hij niet God is, kan hij de ander niet rechtmatig als bezit behandelen.
Wanneer hij weet dat zijn macht ontvangen is, moet hij er verantwoording over afleggen.
Wanneer hij weet dat waarheid niet uit hemzelf ontstaat, kan hij zijn eigen verlangen niet automatisch tot norm maken.
En wanneer hij weet dat leven ontvangen is, kan hij zichzelf niet als absolute eigenaar van andermans leven behandelen.
Daarmee komt een eerste positieve formulering naar voren.
De mens is niet geschapen om autonoom te worden.
Hij is geschapen om vrij te worden in waarheid.
Hij is niet geschapen om bron te worden.
Hij is geschapen om ontvanger en drager te zijn.
En misschien is dat waarom de boom des levens en de boom van kennis zo dicht bij elkaar in het verhaal staan.
De ene herinnert eraan dat leven ontvangen wordt.
De andere markeert een grens aan toe-eigening.
Samen vertellen ze iets over de plaats van de mens.
Hij mag leven.
Hij mag ontvangen.
Hij mag handelen.
Hij mag heersen.
Hij mag groeien.
Maar hij hoeft nooit God te worden om volledig mens te zijn.
Misschien was dat precies de leugen.
Niet alleen dat de mens God ongehoorzaam kon zijn zonder consequenties.
Maar dat hij buiten God méér mens zou worden.
De Bijbelse beweging zal uiteindelijk precies het tegenovergestelde laten zien.
De mens wordt niet zichzelf door afstand tot God.
Hij wordt zichzelf in gemeenschap met Hem.
En dat zal later in Christus volledig zichtbaar worden.
De mens was niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is.