Terug naar Geschriften
Deel 18|11 augustus 2026NL

Het kwaad krijgt niet het laatste woord

15 minuten leestijd

Deze reeks eindigt niet met een sluitende verklaring voor ieder kwaad, maar met een Bijbelse conclusie over de uitkomst ervan. Het kwaad hoeft niet noodzakelijk of uiteindelijk goed te worden genoemd om door God overwonnen te worden. Menselijke verantwoordelijkheid blijft staan, oordeel brengt waarheid aan het licht, Christus overwint zonde en dood, en de nieuwe schepping laat zien dat kwaad geen blijvende plaats heeft binnen Gods uiteindelijke werkelijkheid.

Onderdeel van de reeks

Waarom is er kwaad?

Deel 18 van 18

Bekijk de volledige reeks

We zijn deze reeks begonnen met een vraag die niet verdween toen we haar serieuzer begonnen te nemen. Waarom bestaat er zoveel kwaad en lijden als God goed is? Waarom grijpt Hij soms zichtbaar in en op andere momenten niet? Waarom kan een mens zoveel schade aanrichten aan een ander? Waarom sterven mensen door ziekte, rampen, geweld en oordeel? Waarom worden sommige wonden voorkomen en andere niet?

Na zeventien delen kunnen we niet eerlijk zeggen dat al die vragen volledig zijn opgelost.

Maar we kunnen wel scherper zeggen wat we inmiddels weten, wat we niet weten en waar de Bijbelse hoop uiteindelijk op rust.

De Schrift begint niet met kwaad.

Zij begint met God.

Met schepping.

Met orde.

Met leven.

Met goedheid.

Dat is belangrijk, omdat het kwaad daarmee niet de diepste laag van de werkelijkheid is. Het staat niet naast God als een tweede eeuwige macht. Het heeft geen zelfstandige oorsprong die gelijkwaardig is aan Hem. Wat kwaad ook precies is in al zijn vormen, het verschijnt binnen een werkelijkheid die oorspronkelijk van God komt en door Hem goed wordt genoemd.

Dat betekent dat kwaad geen eigen scheppingsrecht bezit.

Het parasiteert.

Het verdraait.

Het breekt.

Het gebruikt wat goed gegeven is op een verkeerde manier.

Macht wordt misbruik.

Vrijheid wordt losgemaakt van waarheid.

Verlangen wordt toe-eigening.

Gezag wordt overheersing.

Kwetsbaarheid wordt uitgebuit.

Taal wordt leugen.

Verantwoordelijkheid wordt verlaten.

Daarom zagen we in Genesis niet alleen een overtreding van een regel, maar een diepere beweging waarin het schepsel zich losmaakt van de ontvangende verhouding waarvoor het geschapen is.

De mens is naar Gods beeld gemaakt, maar is niet God.

Hij ontvangt leven.

Hij ontvangt roeping.

Hij ontvangt verantwoordelijkheid.

Hij ontvangt vrijheid.

En juist daar ontstaat ook zijn grens.

De mens is werkelijk handelend, maar niet de Bron.

Hij mag dragen, maar niet bezitten alsof alles van hemzelf is.

Hij mag heersen, maar niet absoluut.

Hij mag kennen, maar niet doen alsof waarheid uit hemzelf ontstaat.

Daarom is afhankelijkheid van God geen vernedering van mens-zijn.

Zij behoort tot de waarheid ervan.

Dat werd later in Christus nog veel duidelijker.

Maar voordat we daar kwamen, moesten we eerst erkennen dat vrije wil alleen onvoldoende is om extreem kwaad te verklaren.

Een mens kan werkelijk kwaad willen zonder onbeperkte macht te bezitten.

Daarom is het niet genoeg om te zeggen dat God het kwaad moet toelaten om vrijheid echt te laten zijn.

Vrijheid en uitvoeringsmacht zijn niet hetzelfde.

Een wil kan vrij blijven terwijl een handeling wordt verhinderd.

Dat maakte de vraag naar macht onvermijdelijk.

Waarom kan de ene mens zoveel invloed krijgen over het lichaam, de veiligheid, het vertrouwen of zelfs het leven van een ander?

Daar zagen we hoe kwaad groter wordt wanneer verkeerde wil, ontvangen macht en kwetsbaarheid samenkomen.

Dat bracht ons bij menselijke verantwoordelijkheid.

De vraag naar kwaad is niet alleen: waar was God?

Zij is soms ook: waar was de mens?

Kaïn wilde zich onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor zijn broer.

De Schrift doet het tegenovergestelde.

Zij roept mensen op om te beschermen, recht te doen, waarheid te spreken en niet voorbij te lopen.

Daarom is zonde niet alleen wat iemand doet.

Zij kan ook bestaan in wat iemand nalaat.

Een dader draagt de primaire verantwoordelijkheid voor zijn daad.

Maar waar anderen werkelijk wisten, verantwoordelijk waren en konden handelen, kan ook nalatigheid schuld dragen.

Dat betekent niet dat iedereen rondom een tragedie automatisch schuldig is.

Verantwoordelijkheid moet altijd verbonden blijven aan werkelijke kennis, positie en mogelijkheid.

Maar de Bijbelse mens kan zich niet volledig verschuilen achter de gedachte dat hij zelf de oorspronkelijke daad niet heeft gepleegd.

Dat geldt ook voor instellingen, leiders, gemeenschappen en systemen.

Wie iets is toevertrouwd, moet rekenschap geven van wat hij daarmee doet.

Toch bleef na al die menselijke verantwoordelijkheid de moeilijkste vraag staan.

Waar was God?

Als Hij werkelijk kan ingrijpen, waarom doet Hij dat niet altijd?

Daar hebben we geen universele formule voor gevonden.

Dat is belangrijk om hardop te zeggen.

Vrije wil lost die vraag niet volledig op.

Menselijke nalatigheid lost haar niet volledig op.

Voorzienigheid lost haar niet automatisch op.

De gedachte dat alles met een reden gebeurt, wordt gevaarlijk wanneer zij betekent dat ieder concreet kwaad noodzakelijk was voor een groter goed.

De Schrift geeft ons geen grond om dat te zeggen.

Een kind hoefde niet misbruikt te worden opdat later iets goeds mogelijk zou zijn.

Een moord hoeft geen noodzakelijke stap in Gods plan te zijn.

Een ziekte hoeft niet speciaal ontworpen te zijn om iemand te vormen.

God kan binnen een beschadigde geschiedenis goed voortbrengen zonder dat het kwaad daarom nodig was.

Dat onderscheid is essentieel.

Gods vermogen om te herstellen maakt het kwaad niet noodzakelijk.

Gods vermogen om te verlossen maakt de zonde niet goed.

Gods vermogen om uit lijden wijsheid of volwassenheid voort te brengen maakt het lijden zelf niet automatisch tot een goede gave.

Juist daardoor blijft de morele aard van het kwaad helder.

Kwaad mag kwaad blijven.

En toch hoeft het niet te winnen.

Dat zagen we in Genesis 50, waar menselijke bedoeling werkelijk kwaad kan zijn terwijl God dezelfde geschiedenis naar een andere uitkomst leidt.

We zagen het nog scherper in het kruis.

Menselijke macht veroordeelt en doodt Christus.

De daad blijft kwaad.

De daders worden niet onschuldig doordat Gods reddende raad groter blijkt dan hun bedoeling.

Maar hun kwaad krijgt ook niet de macht om de uiteindelijke betekenis van de gebeurtenis te bepalen.

Dat is misschien een van de diepste lijnen van voorzienigheid.

De mens kan werkelijk handelen.

De mens kan werkelijk kwaad doen.

Maar hij kan God niet dwingen om het laatste woord van zijn daad over te nemen.

Dat is geen excuus voor het kwaad.

Het is de begrenzing ervan.

De dader bezit niet de toekomst.

Ook niet wanneer hij werkelijk schade veroorzaakt.

Ook niet wanneer hij jaren van een leven beschadigt.

Ook niet wanneer hij iemand doodt.

Dat is pas volledig begrijpelijk wanneer opstanding waar is.

Zonder opstanding blijft de macht van de dood uiteindelijk enorm.

Een moordenaar kan dan misschien niet bepalen wat moreel waar is, maar hij kan wel definitief een leven beëindigen.

Een kind dat sterft zonder recht te ontvangen, krijgt dan zelf geen herstel.

Een slachtoffer dat nooit gehoord wordt, blijft persoonlijk verstoken van recht.

Daarom is de opstanding geen bijzaak binnen het christelijke antwoord op kwaad.

Zij is noodzakelijk.

Paulus noemt de dood de laatste vijand die vernietigd wordt.

Dat woord is beslissend.

De dood wordt niet uitgelegd tot iets goeds.

Zij wordt vernietigd.

De schepping wordt volgens Romeinen 8 niet geleerd om tevreden te zijn met vergankelijkheid.

Zij wordt ervan bevrijd.

Openbaring eindigt niet met een betere interpretatie van tranen, maar met een werkelijkheid waarin tranen worden afgewist en dood, rouw en pijn niet langer heersen.

Daarmee wordt duidelijk dat Gods antwoord op kwaad uiteindelijk groter is dan oordeel alleen.

Oordeel is noodzakelijk.

Waarheid moet aan het licht komen.

Geen dader kan zich voor eeuwig verbergen achter een eigen verhaal.

Geen nalatigheid verdwijnt simpelweg omdat zij juridisch nooit bewezen werd.

Geen slachtoffer hoeft voor altijd afhankelijk te blijven van erkenning door degene die hem beschadigde.

De mens wordt in het oordeel geconfronteerd met de volledige waarheid over zichzelf in aanwezigheid van de volledige waarheid van God.

Maar zelfs een volmaakt oordeel zou nog niet genoeg zijn als de wereld daarna voor altijd kapot bleef.

Gods einddoel is groter.

Hij oordeelt en herstelt.

Hij brengt waarheid aan het licht en vernieuwt.

Hij vernietigt de dood.

Hij bevrijdt de schepping.

Hij wekt de mens op.

Dat is waarom de Bijbelse hoop niet alleen juridisch is, maar de hele werkelijkheid raakt.

Daarmee wordt Christus het centrum van alles wat we hebben onderzocht.

In Hem zien we niet alleen vergeving.

We zien ware menselijkheid.

Hij is de laatste Adam.

Hij leeft niet uit autonomie, maar uit volmaakte gemeenschap met de Vader.

Hij laat zien dat afhankelijkheid en vrijheid geen tegenstellingen zijn.

Dat gehoorzaamheid de menselijke wil niet hoeft te vernietigen.

Dat een mens volledig zichzelf kan zijn zonder zichzelf tot bron te maken.

In Getsemane verdwijnt zijn menselijke wil niet.

Zij wordt in vrijheid onder de wil van de Vader gebracht.

In de verzoeking grijpt Hij niet buiten de Vader om naar wat op zichzelf goed kan zijn.

In zijn hele leven ontvangt en draagt Hij.

Daarmee wordt in Christus zichtbaar wat in Genesis verloren ging.

De mens hoeft niet buiten God méér mens te worden.

Hij wordt juist volledig mens in gemeenschap met God.

Dat is belangrijk voor de uiteindelijke vraag naar vrijheid.

Als vrijheid alleen echt zou zijn wanneer de mens altijd opnieuw kan zondigen, zou de nieuwe schepping nooit werkelijk veilig zijn.

Dan zou een nieuwe val altijd mogelijk moeten blijven.

Maar Christus laat zien dat vrijheid niet afhankelijk is van een levende aantrekkingskracht van het kwaad.

God zelf is vrij en kan niet liegen.

Christus is werkelijk mens en toch zonder zonde.

De nieuwe schepping kan daarom een werkelijkheid zijn waarin vrijheid niet verdwijnt, maar voltooid wordt.

De wil hoeft niet eeuwig tussen waarheid en leugen te blijven zweven om werkelijk vrij te zijn.

Misschien is de hoogste vrijheid juist een wil die volledig genezen is van wat haar van het goede wegtrekt.

Dat past bij de Bijbelse taal van een nieuw hart, een nieuwe geest, vernieuwing van het denken en gelijkvormigheid aan Christus.

God redt de mens niet door zijn menselijkheid weg te nemen.

Hij redt hem tot ware menselijkheid.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom de geschiedenis niet eenvoudig eindigt in terugkeer naar Eden.

De boom des levens verschijnt opnieuw.

Maar de Bijbelse toekomst wordt beschreven met taal van opstanding, onvergankelijkheid, heerlijkheid, zoonschap en een bevrijde schepping.

Het einddoel lijkt rijker dan oorspronkelijke onschuld alleen.

Daarbij moet opnieuw een grens blijven staan.

De val was niet noodzakelijk om daar te komen.

We hoeven zonde niet tot ontwikkelingsfase te maken.

Gods vermogen om binnen een gevallen geschiedenis tot heerlijkheid te brengen bewijst niet dat de val nodig was.

Het bewijst dat Gods verlossende macht niet door de val wordt begrensd.

Dat is een veel sterkere conclusie.

Kwaad hoeft niet noodzakelijk te zijn om overwonnen te worden.

Het hoeft niet uiteindelijk goed genoemd te worden om in Gods geschiedenis geen laatste woord te krijgen.

Daarmee komen we ook bij lijden en volwassenwording.

De Schrift leert dat lijden een mens kan vormen.

Volharding kan groeien.

Gehoorzaamheid kan werkelijk geleefd worden.

Christus zelf draagt zijn gehoorzaamheid door reële menselijke omstandigheden heen.

Maar dat betekent niet dat ieder lijden speciaal ontworpen is als les.

Een slachtoffer hoeft zijn wond niet te aanvaarden als noodzakelijke opvoeding.

Een kind hoeft zijn trauma niet dankbaar te leren zien als instrument voor geestelijke groei.

God kan vormen binnen lijden zonder ieder lijden te hebben ontworpen als vormingsmiddel.

Dat onderscheid beschermt zowel Gods goedheid als de waarheid van het slachtoffer.

En juist daar werd Job zo belangrijk.

Jobs vrienden hadden antwoorden.

Maar hun probleem was dat zij antwoorden gaven voor een situatie waarvoor zij de kennis niet hadden.

Zij wilden Gods rechtvaardigheid beschermen door Jobs lijden te verklaren.

Daarmee maakten zij Job uiteindelijk schuldig aan iets wat zij niet konden aantonen.

Dat is een blijvende waarschuwing.

Slechte theologie kan moreel gevaarlijk worden wanneer zij een lijdende mens dwingt in een systeem dat meer zegt dan God heeft geopenbaard.

Daarom moesten we leren dat niet weten soms gehoorzamer is dan verzinnen.

Dat is geen pleidooi voor intellectuele luiheid.

We hebben juist geprobeerd zoveel mogelijk te begrijpen.

Maar na zorgvuldig onderzoek blijft er een grens.

Waarom werd dit specifieke kind niet beschermd?

We weten het niet.

Waarom werd deze ziekte niet genezen?

We weten het niet.

Waarom werd het ene gebed zichtbaar verhoord en het andere niet?

We weten het vaak niet.

Dat onbeantwoorde waarom hoeft niet uit de reeks verwijderd te worden om haar te laten slagen.

Misschien hoort het juist bij de waarheid ervan.

De Bijbel zelf bewaart vragen die niet onmiddellijk worden opgelost.

Job vraagt.

Habakuk vraagt.

De psalmen vragen.

Christus zelf bidt woorden van verlatenheid.

Daarom is klacht geen vreemde indringer in het geloof.

Zij kan deel van geloof zijn.

We kwamen zo tot drie houdingen die naast elkaar moeten blijven staan: begrijpen waar begrijpen mogelijk is, klagen waar begrijpen ophoudt en handelen waar verantwoordelijkheid begint.

Geen van die drie is voldoende zonder de andere.

Begrijpen zonder klacht kan koud worden.

Klacht zonder handelen kan passief worden.

Handelen zonder nederigheid kan doen alsof wij de wereld uiteindelijk zelf kunnen redden.

De Bijbelse weg houdt hen samen.

Daarmee blijft ook menselijke roeping staan.

God kan rechtstreeks handelen, maar kiest opvallend vaak mensen om zijn goede wil binnen de geschiedenis te dragen.

Hij hoort Israël en zendt Mozes.

Hij roept profeten.

Hij geeft rechters verantwoordelijkheid.

Hij zendt apostelen.

De mens wordt niet alleen ontvanger van Gods goedheid, maar ook drager ervan.

Dat betekent dat de vraag naar kwaad nooit alleen omhoog gericht kan zijn.

Wij mogen God vragen waar Hij was.

Maar Hij kan ons ook vragen waar onze broer was en wat wij gedaan hebben met wat ons was toevertrouwd.

Dat betekent niet dat de mens Gods plaats inneemt.

Mozes redt Israël niet autonoom.

God zegt: Ik zal met u zijn.

Daarmee komt opnieuw dezelfde orde terug.

God is de Bron.

De mens ontvangt en draagt.

Dat is misschien een van de meest constante lijnen van deze hele reeks.

De mens was niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is.

Wat hij ontvangt, is hem ook toevertrouwd om binnen de schepping te dragen.

Daarom is menselijke waardigheid zo groot.

En daarom is menselijke verantwoordelijkheid zo ernstig.

Toch blijft Gods uiteindelijke overwinning niet afhankelijk van de vraag of mensen altijd trouw zullen handelen.

Dat zou weinig hoop geven.

Mensen falen.

Hoeders lopen soms voorbij.

Koningen worden corrupt.

Profeten kunnen vluchten.

Apostelen kunnen tekortschieten.

Instellingen kunnen zichzelf beschermen.

De menselijke geschiedenis bewijst steeds opnieuw dat externe orde alleen het hart niet voltooit.

Daarom spreekt de Schrift uiteindelijk over vernieuwing die God zelf tot stand brengt.

Een nieuw hart.

Een nieuwe geest.

Een nieuwe mens.

Opstanding.

Nieuwe schepping.

Gods antwoord op kwaad eindigt dus niet met betere controlemechanismen.

Hij gaat tot de wortel.

Dat betekent niet dat wetten, grenzen en bescherming onbelangrijk zijn. In deze wereld zijn zij noodzakelijk.

Maar zij zijn niet het einddoel.

Het einddoel is een werkelijkheid waarin de wil zelf in waarheid leeft.

Waar macht niet meer tegen de kwetsbare wordt gebruikt.

Waar niemand de ander als bezit behandelt.

Waar geen leugen de ontvangende verhouding tot God opnieuw verdraait.

Waar de dood geen ruimte meer heeft.

Daarom is de christelijke hoop uiteindelijk zo radicaal.

Zij zegt niet alleen dat het goede uiteindelijk iets sterker blijkt dan het kwaad.

Zij zegt dat het kwaad geen eeuwige bestaansgrond heeft.

God wel.

Het leven wel.

Waarheid wel.

Liefde wel.

Dat betekent dat kwaad in zekere zin altijd afhankelijk blijft van een werkelijkheid die het zelf niet gemaakt heeft.

De leugen kan alleen bestaan omdat er waarheid is die verdraaid kan worden.

Misbruik kan alleen bestaan omdat er goede menselijke vermogens en relaties zijn die misbruikt kunnen worden.

Dood kan alleen iets vernietigen dat eerst leven ontvangen heeft.

Kwaad kan beschadigen.

Maar het kan niet zichzelf tot oorsprong maken.

Daarom is het ook niet het diepste woord over de werkelijkheid.

Dat woord behoort aan God.

En volgens het Nieuwe Testament krijgt dat woord gestalte in Christus.

Niet alleen in zijn onderwijs.

Niet alleen in zijn kruis.

Maar in zijn opstanding.

Want daar wordt het meest radicale menselijke antwoord van het kwaad, de dood zelf, teruggedraaid zonder de geschiedenis te ontkennen.

De wonden zijn er.

Maar Hij leeft.

Het graf was werkelijk.

Maar het is niet definitief.

De dood heeft plaatsgevonden.

Maar zij bezit Hem niet.

Daarom is de opstanding misschien de meest volledige samenvatting van deze hele reeks.

Het kwaad wordt niet ontkend.

Het wordt niet noodzakelijk gemaakt.

Het wordt niet goed genoemd.

Het wordt doorstaan, geoordeeld en overwonnen.

Dat is uiteindelijk ook de hoop voor de schepping.

Niet dat wij ooit zullen moeten zeggen dat iedere traan eigenlijk goed was.

Maar dat er een dag komt waarop tranen niet meer nodig zijn.

Niet dat de dood uiteindelijk een verborgen vriend blijkt te zijn.

Maar dat de dood zelf verdwijnt.

Niet dat ieder slachtoffer uiteindelijk moet erkennen dat zijn wond noodzakelijk was.

Maar dat geen wond eeuwig de macht houdt om zijn leven te bepalen.

Niet dat iedere vraag nu al wordt opgelost.

Maar dat geen onbeantwoorde vraag groter is dan de God die uiteindelijk recht doet.

Daarom eindigt deze reeks niet met een formule.

Zij eindigt met een richting.

Naar Christus.

Naar waarheid.

Naar oordeel.

Naar opstanding.

Naar nieuwe schepping.

Daar mogen we hoop uit putten zonder te doen alsof we meer weten dan we weten.

We mogen blijven zeggen dat sommige dingen onverklaard zijn.

We mogen blijven treuren om wat niet had mogen gebeuren.

We mogen daders verantwoordelijk blijven houden.

We mogen menselijke nalatigheid blijven benoemen.

We mogen onszelf blijven afvragen waar wij geroepen zijn om te beschermen.

We mogen God blijven vragen waarom Hij niet ingreep.

En tegelijk mogen we vasthouden aan wat de Schrift wel duidelijk zegt.

De dood is een vijand.

De schepping zal niet voor altijd zuchten.

Het oordeel zal waarheid brengen.

Christus is opgestaan.

En de toekomst behoort niet aan het kwaad.

Misschien is dat uiteindelijk het meest eerlijke antwoord dat deze reeks kan geven.

Niet dat wij nu begrijpen waarom ieder kwaad werd toegestaan.

Maar dat wij voldoende hebben gezien om te weigeren het kwaad tot laatste werkelijkheid te maken.

Het eerste woord van de Schrift behoort aan God.

En uiteindelijk ook het laatste.

Het kwaad krijgt het niet.