Wat blijft onverklaard?
13 minuten leestijd
Na alle lijnen die we hebben onderzocht, blijft één vraag bewust openstaan: waarom werd juist deze mens niet beschermd, waarom werd juist deze ziekte niet genezen, waarom kwam het ingrijpen niet eerder? Dit deel brengt samen wat we inmiddels wel kunnen zeggen en markeert tegelijk de grens waar de Schrift geen concrete reden geeft. Niet ieder waarom wordt opgelost, maar dat betekent niet dat we niets weten over kwaad, verantwoordelijkheid, oordeel, Christus en hoop.
Aan het begin van deze reeks stond een vraag die niet verdween toen we haar preciezer begonnen te formuleren. Integendeel. Hoe scherper we keken, hoe duidelijker werd dat sommige snelle antwoorden niet groot genoeg zijn voor het werkelijke probleem. Vrije wil verklaart waarom een mens werkelijk kan kiezen, maar niet waarom die keuze soms zoveel macht over een ander krijgt. Menselijke verantwoordelijkheid verklaart veel, maar niet waarom God niet rechtstreeks ingrijpt wanneer alle menselijke bescherming faalt. Een zuchtende schepping helpt begrijpen waarom ziekte, verval en dood meer zijn dan losse incidenten, maar zij verklaart nog niet waarom precies deze persoon wordt getroffen. Gods voorzienigheid leert ons dat kwaad zijn heerschappij niet ontglipt, maar geeft ons nog niet de concrete reden waarom een bepaalde tragedie niet werd verhinderd.
Na alles wat we hebben onderzocht, blijft daarom een grens staan.
Waarom werd dit specifieke kind niet beschermd?
Waarom werd deze dader niet eerder gestopt?
Waarom werd een gebed om genezing niet zichtbaar verhoord?
Waarom overleeft de ene mens een ramp en sterft de andere?
Waarom wordt het ene verborgen kwaad op tijd ontdekt en blijft het andere jarenlang bestaan?
Dat zijn geen theoretische restvragen. Zij raken het hart van het probleem.
We hebben inmiddels genoeg gezien om een aantal antwoorden af te wijzen. We hoeven niet te zeggen dat ieder kwaad noodzakelijk was. We hoeven niet te zeggen dat ieder lijden een verborgen les van God was. We hoeven niet te zeggen dat alles precies zo moest gebeuren om een groter plan mogelijk te maken. We hoeven niet te zeggen dat slachtoffers noodzakelijk door hun wond heen moesten om uiteindelijk te worden wie zij zijn.
De Schrift geeft ons daar geen grond voor.
Dat is belangrijk, omdat zulke verklaringen vaak bedoeld zijn om Gods soevereiniteit te beschermen, maar uiteindelijk het kwaad een functie geven die het volgens de Bijbel niet hoeft te hebben.
Een misbruiker hoeft geen noodzakelijke schakel in Gods plan te zijn.
Een moord hoeft niet noodzakelijk te zijn om later iets goeds te laten ontstaan.
Een ziekte hoeft niet speciaal gegeven te zijn om iemand geestelijk te vormen.
God kan binnen beschadigde geschiedenis werkelijk goed voortbrengen zonder dat het kwaad daarom vooraf nodig was.
Dat onderscheid hebben we meerdere keren gemaakt, en hier moet het opnieuw blijven staan.
Gods vermogen om te herstellen maakt de wond niet noodzakelijk.
Gods vermogen om te verlossen maakt de zonde niet noodzakelijk.
Gods vermogen om uit lijden iets goeds voort te brengen maakt het lijden niet automatisch goed.
Die grenzen beschermen niet alleen onze theologie, maar ook de werkelijkheid van degene die geleden heeft.
Want zodra we zeggen dat het kwaad nodig was, dreigt de dader onderdeel van de noodzakelijke route naar het goede te worden. Dan wordt het slachtoffer bijna gedwongen om het kwaad uiteindelijk als functioneel te zien.
Dat is niet nodig.
Kwaad mag kwaad blijven.
Juist dan wordt Gods overwinning werkelijk overwinning.
Toch moeten we ook de tegenovergestelde fout vermijden. Omdat we niet alles weten, mogen we niet doen alsof we niets weten.
De Schrift geeft wel degelijk veel helderheid.
We weten dat God kwaad niet goed noemt.
We weten dat menselijke vrijheid werkelijk is.
We weten dat macht verantwoordelijkheid schept.
We weten dat nalatigheid schuld kan zijn.
We weten dat kwetsbaarheid beschermd moet worden.
We weten dat de schepping onder vergankelijkheid zucht.
We weten dat God historisch kan oordelen.
We weten dat Hij mensen roept om zijn goede wil binnen de geschiedenis te dragen.
We weten dat uiterlijke begrenzing alleen de menselijke wil niet volledig vernieuwt.
We weten dat Christus de ware Mens is en dat in Hem zichtbaar wordt dat vrijheid en gehoorzaamheid geen tegenstellingen zijn.
We weten dat God niet alleen schuld wegneemt, maar naar vernieuwing van de mens en uiteindelijk van de schepping toe werkt.
We weten dat oordeel waarheid aan het licht brengt.
We weten dat de dood niet het laatste woord houdt.
Dat is veel.
Maar het is iets anders dan de volledige reden kennen achter ieder afzonderlijk moment van lijden.
Die twee mogen niet met elkaar verward worden.
Er bestaat een verschil tussen weten wie God is en weten waarom Hij op een bepaald moment precies zo handelde of niet handelde.
Er bestaat een verschil tussen vertrouwen in Gods voorzienigheid en inzicht hebben in iedere concrete beschikking.
Er bestaat een verschil tussen geloven dat God uiteindelijk recht doet en begrijpen waarom dat recht niet eerder zichtbaar werd.
De Bijbel zelf bewaart die verschillen.
Job weet niet waarom zijn leven instort.
De psalmisten weten niet altijd waarom God lijkt te zwijgen.
Habakuk begrijpt niet waarom onrecht zo lang voortduurt.
Prediker ziet geen eenvoudige zichtbare verdeling van rechtvaardigheid binnen dit leven.
Zelfs wanneer God spreekt, geeft Hij niet altijd de causale uitleg waar de mens naar vraagt.
Dat betekent niet dat de vraag verboden is.
Integendeel.
De Schrift heeft de vraag zelf bewaard.
Daarom hoeven wij haar niet uit geloofsangst te verwijderen.
Misschien is juist dat een belangrijk kenmerk van Bijbelse eerlijkheid. God laat in zijn eigen Woord stemmen staan die Hem vragen waarom Hij zwijgt, waarom Hij niet handelt en hoe lang het onrecht nog duurt.
Dat betekent dat een onbeantwoord waarom niet automatisch buiten het geloof valt.
Het kan binnen het geloof blijven staan.
Dat is iets anders dan agnosticisme over alles.
We zeggen niet dat Gods karakter volledig onbekend is.
We zeggen niet dat goed en kwaad uiteindelijk ononderscheidbaar zijn.
We zeggen niet dat de Schrift niets leert over Gods handelen.
We zeggen alleen dat God ons geen volledige toegang heeft gegeven tot de concrete reden achter ieder afzonderlijk lijden.
Dat is een begrenzing van onze kennis, niet noodzakelijk een begrenzing van Gods wijsheid.
Toch moet zelfs die formulering voorzichtig blijven. Het is gemakkelijk om te zeggen dat God wel een reden zal hebben en daarmee alsnog heimelijk dezelfde uitleg terug te brengen die we eerder wilden vermijden.
Misschien moeten we daarom onderscheid maken tussen twee uitspraken.
De eerste zegt: God begrijpt volledig wat wij niet begrijpen.
De tweede zegt: achter ieder kwaad ligt noodzakelijk een specifieke goede reden waarom dat kwaad moest plaatsvinden.
De eerste uitspraak past bij het Bijbelse beeld van Gods kennis en wijsheid.
De tweede gaat veel verder.
Voor die tweede uitspraak hebben we geen algemene Bijbelse grond.
Dat onderscheid is essentieel.
God kan weten waarom Hij op een bepaald moment niet ingreep zonder dat het kwaad zelf daardoor noodzakelijk onderdeel van een groter goed wordt.
Misschien waren er werkelijke menselijke keuzes.
Misschien waren er historische samenhangen.
Misschien waren er gevolgen van een gebroken schepping.
Misschien liggen er aspecten van Gods voorzienigheid buiten ons zicht.
Maar wanneer de Schrift het niet openbaart, moeten we niet doen alsof we precies weten welke factor doorslaggevend was.
Dat is geen intellectuele zwakte.
Het is discipline.
Soms willen mensen meer zekerheid dan de Schrift zelf geeft. Dat is begrijpelijk, vooral wanneer de pijn groot is. Een gesloten antwoord kan rust geven omdat het de chaos ordent.
Maar een onwaar antwoord geeft alleen schijnrust.
Daarom is het beter om een werkelijkheid open te laten dan haar met religieuze taal dicht te metselen.
Dat geldt vooral tegenover slachtoffers.
Wanneer iemand vraagt waarom God hem niet beschermd heeft, is “God had een plan” te gemakkelijk als wij niet weten wat dat plan in deze concrete gebeurtenis was.
Wanneer iemand vraagt waarom zijn kind stierf, is “alles gebeurt met een reden” geen antwoord wanneer wij die reden niet kennen.
Wanneer iemand vraagt waarom zijn gebed niet werd verhoord, kunnen we niet eenvoudig zeggen dat hij het later wel zal begrijpen alsof dat ons nu toegang geeft tot de reden.
Soms is de eerlijkste uitspraak eenvoudig: ik weet niet waarom God dit niet heeft verhinderd.
Die zin kan zwaar voelen.
Maar hij is niet leeg.
Hij staat binnen een veel grotere werkelijkheid van wat we wel weten.
We weten bijvoorbeeld dat de schuld van de dader niet verdwijnt omdat God niet ingreep.
Dat is belangrijk.
Gods niet ingrijpen verandert de morele aard van de daad niet.
Een misbruiker kan zich niet beroepen op het feit dat God hem niet tegenhield.
Een moordenaar kan niet zeggen dat zijn daad kennelijk Gods bedoeling was omdat zij plaatsvond.
Wat gebeurt, is niet automatisch moreel goed omdat God het niet verhindert.
Dat onderscheid moet scherp blijven.
Anders zou iedere geslaagde misdaad uiteindelijk impliciet goddelijke goedkeuring krijgen.
De Schrift laat dat niet toe.
Menselijke verantwoordelijkheid blijft volledig staan.
Dat geldt ook voor nalatigheid.
Wanneer mensen hadden kunnen beschermen en bewust niet handelden, kunnen zij niet eenvoudig zeggen dat God kennelijk een andere weg had gekozen.
Hun roeping wordt beoordeeld op wat hun was toevertrouwd.
Dat betekent dat het mysterie van Gods niet ingrijpen nooit gebruikt mag worden om menselijke verantwoordelijkheid te verminderen.
Juist waar Gods specifieke reden onbekend blijft, kunnen menselijke verantwoordelijkheden nog steeds duidelijk zijn.
Dat is een belangrijk houvast.
We hoeven niet te weten waarom God niet ingreep om te weten dat de dader gestopt moest worden.
We hoeven niet te weten waarom ziekte bestaat om te weten dat de zieke zorg verdient.
We hoeven niet te begrijpen waarom deze ramp plaatsvond om te weten dat slachtoffers hulp nodig hebben.
We hoeven het volledige plan van voorzienigheid niet te kennen om te weten dat waarheid boven reputatie moet staan.
Daarmee wordt onwetendheid niet passief.
Zij kan samengaan met gehoorzaamheid.
Dat sluit aan bij de driedeling die eerder naar voren kwam: begrijpen waar begrijpen mogelijk is, klagen waar begrijpen ophoudt en handelen waar verantwoordelijkheid begint.
Misschien is dat juist hier het meest nodig.
We hebben veel geprobeerd te begrijpen.
We hebben grenzen erkend.
En toch blijft er verantwoordelijkheid.
Dat voorkomt dat het onbeantwoorde waarom alles verlamt.
Tegelijk blijft klacht noodzakelijk.
Want er bestaan situaties waarin de enige eerlijke reactie niet analyse, maar verdriet is.
Een kind dat vermoord is, wordt niet teruggebracht door een betere theodicee.
Een lichaam dat door ziekte is afgebroken, wordt niet genezen doordat we de juiste categorie voor vergankelijkheid vinden.
Een trauma verdwijnt niet doordat we precies kunnen uitleggen dat vrije wil en macht verschillende dingen zijn.
Theologie kan waarheid ordenen.
Zij kan verkeerde conclusies verhinderen.
Zij kan verantwoordelijkheid aanwijzen.
Maar zij kan niet ieder verlies ongedaan maken.
Daarom heeft het geloof naast leer ook klacht nodig.
Daarom heeft het oordeel nodig.
Daarom heeft het opstanding nodig.
Als het christelijke antwoord uiteindelijk alleen een verklaring was, zou het te klein zijn.
De diepste christelijke hoop is niet dat wij ooit een perfect schema krijgen waarin ieder lijden intellectueel bevredigend wordt uitgelegd.
De hoop is dat God recht doet, herstelt, opwekt en uiteindelijk de macht van kwaad en dood beëindigt.
Dat is iets anders.
Misschien zullen wij ooit meer begrijpen dan nu.
Paulus spreekt op andere plaatsen over een kennen dat nu gedeeltelijk is. We moeten ook daar voorzichtig zijn en die teksten niet direct omvormen tot een belofte dat ieder individueel waarom later volledig wordt uitgelegd.
Maar het is redelijk binnen de Bijbelse hoop te verwachten dat onze huidige kennis niet het laatste stadium van inzicht is.
Toch ligt de uiteindelijke troost niet alleen in meer informatie.
Als een moeder haar kind terugontvangt in opstanding, is dat groter dan alleen te horen waarom het kind stierf.
Als een slachtoffer volledig wordt hersteld en de waarheid van zijn geschiedenis recht wordt gedaan, is dat groter dan alleen een theoretische verklaring.
Als de dood zelf vernietigd wordt, is dat groter dan een verhandeling over waarom de dood zo lang bestaan heeft.
Dat betekent niet dat de waaromvraag onbelangrijk wordt.
Het betekent dat Gods uiteindelijke antwoord volgens de Schrift meer is dan uitleg.
Hij verandert de werkelijkheid.
Dat is misschien waarom de nieuwe schepping zo belangrijk werd in het vorige deel.
Gods eindantwoord is geen college over het kwaad.
Het is een wereld waarin het kwaad geen plaats meer heeft.
Dat is een krachtiger vorm van antwoord.
Maar zelfs die hoop moet niet gebruikt worden om het heden kleiner te maken.
Toekomstig herstel maakt huidige pijn niet onwerkelijk.
Opstanding maakt moord niet onbelangrijk.
Eeuwige vreugde betekent niet dat misbruik daarom minder verschrikkelijk was.
Het einde verandert de uiteindelijke macht van het kwaad, niet de morele waarheid van wat gebeurd is.
Daarom blijft oordeel nodig.
Waarheid blijft nodig.
Herstel blijft nodig.
En juist daarom kan hoop werkelijk hoop zijn.
Niet omdat het verleden ineens goed blijkt te zijn.
Maar omdat het verleden niet meer de macht heeft om de toekomst te bepalen.
Dat is een belangrijk verschil.
De dader kan werkelijk iets van een slachtoffer afnemen.
Veiligheid.
Tijd.
Vertrouwen.
Soms gezondheid.
Soms zelfs het aardse leven.
Maar als opstanding waar is, bezit de dader niet de uiteindelijke macht over het bestaan van het slachtoffer.
Hij kan de geschiedenis beschadigen.
Hij kan haar niet uiteindelijk bezitten.
Dat is geen kleine troost.
Het is ook geen simpele troost.
Want in het heden kan de schade enorm zijn.
Maar het betekent dat kwaad nooit volledige interpretatieve macht over een mens krijgt.
De dader kan niet definitief bepalen wie iemand is.
De wond kan niet definitief bepalen wat iemand wordt.
De dood kan niet definitief bepalen dat een mens ophoudt.
Daarmee wordt de hoop christologisch.
Christus wordt gedood.
Menselijke macht lijkt Hem te hebben beëindigd.
Het graf lijkt de geschiedenis af te sluiten.
Maar de opstanding betekent dat menselijke geweldplegers niet het laatste woord over Hem bezaten.
Dat patroon kan niet eenvoudig op ieder lijden worden geplakt alsof iedere tragedie dezelfde functie heeft als het kruis.
Maar de overwinning van Christus laat wel zien wat voor soort God het laatste woord spreekt.
Niet de dader.
Niet de dood.
Niet het graf.
Dat brengt ons dicht bij het einde van deze reeks.
We hebben geprobeerd het kwaad niet te rationaliseren.
We hebben menselijke verantwoordelijkheid serieus genomen.
We hebben Gods oordeel niet weggedrukt.
We hebben erkend dat de schepping zelf zucht.
We hebben Christus niet alleen als vergever, maar ook als ware Mens gezien.
We hebben gezocht naar volwassen zoonschap zonder de val noodzakelijk te maken.
We hebben geleerd van Job dat niet ieder waarom een antwoord krijgt.
We hebben klacht serieus genomen.
We hebben oordeel als waarheid onderzocht.
We hebben gezien dat de Bijbelse hoop verder gaat dan terugkeer naar Eden en uitloopt op opstanding en nieuwe schepping.
En toch blijft die ene zin staan:
Ik weet niet waarom God dit niet heeft verhinderd.
Misschien hoeft die zin niet vernietigd te worden om geloof mogelijk te maken.
Misschien moet hij juist naast andere zinnen leren staan.
Ik weet dat dit kwaad was.
Ik weet dat de dader verantwoordelijk is.
Ik weet dat de kwetsbare beschermd had moeten worden.
Ik weet dat God rechtvaardig is.
Ik weet dat Christus de dood is binnengegaan.
Ik weet dat de Schrift de dood een vijand noemt.
Ik weet dat zij spreekt over opstanding.
Ik weet dat zij een einde aan rouw, pijn en dood belooft.
En ik weet niet waarom dit specifieke kwaad niet eerder werd verhinderd.
Dat is geen volledig antwoord.
Maar het is misschien wel een eerlijk antwoord.
En eerlijke hoop is sterker dan een gesloten verklaring die meer zegt dan God heeft geopenbaard.
Daarmee resteert nog één laatste stap.
Niet nog een theorie over waarom het kwaad bestaat.
Maar de vraag wat de hele Bijbelse beweging ons uiteindelijk toestaat te zeggen over het einde ervan.
Niet of wij ieder waarom kunnen oplossen.
Maar of het kwaad uiteindelijk werkelijk het laatste woord krijgt.