Terug naar Geschriften
Deel 14|11 augustus 2026NL

Wanneer het waarom uitblijft

12 minuten leestijd

Niet iedere vorm van kwaad en lijden wordt in dit leven verklaard. De Schrift geeft daarom niet alleen antwoorden, maar ook taal voor klacht, verwarring en volharding. Dit deel onderzoekt Prediker, Habakuk en de Psalmen en laat zien dat geloof niet betekent dat ieder waarom opgelost moet worden. Waar begrijpen ophoudt, blijven klacht, verantwoordelijkheid en vertrouwen mogelijk.

Onderdeel van de reeks

Waarom is er kwaad?

Deel 14 van 18

Bekijk de volledige reeks

Na Job kunnen we niet meer doen alsof iedere vorm van lijden uiteindelijk binnen één sluitend schema verklaard kan worden. Sommige oorzaken zijn zichtbaar, andere niet. Soms kunnen we daderschap aanwijzen, nalatigheid benoemen of spreken over de gebrokenheid van de schepping. Soms blijft alleen de constatering over dat een mens werkelijk lijdt zonder dat hij toegang heeft tot de volledige reden.

De Schrift laat die situatie niet zonder taal.

Prediker is daar een duidelijk voorbeeld van. Het boek kijkt naar een wereld waarin recht en uitkomst niet altijd samenvallen. De rechtvaardige krijgt niet vanzelf zichtbaar voorspoed en de goddeloze wordt niet altijd onmiddellijk getroffen. Er is arbeid die geen blijvende zekerheid geeft, rijkdom die niet beschermd kan worden tegen verlies en wijsheid die niet voorkomt dat ook de wijze sterft.

Dat is confronterend, maar ook bevrijdend.

De Bijbel doet niet alsof deze wereld nu al een volledig zichtbaar systeem van rechtvaardige vergelding is.

Dat betekent dat we voorzichtig moeten zijn met iedere theologie waarin voorspoed automatisch een teken van Gods goedkeuring wordt en lijden automatisch een teken van schuld of gebrek aan geloof.

Prediker laat juist zien dat de zichtbare uitkomst van een leven niet eenvoudig als morele meetlat kan functioneren.

Soms lijkt de goddeloze te floreren.

Soms lijdt de rechtvaardige.

Soms sterven beiden.

Dat maakt de vraag naar Gods rechtvaardigheid niet onbelangrijk, maar plaatst haar in een bredere horizon dan alleen het hier en nu.

Habakuk stelt die vraag nog directer. Hij ziet geweld, onrecht en verdraaiing van recht en vraagt hoe lang hij nog moet roepen zonder dat er zichtbaar wordt ingegrepen. Zijn klacht komt niet voort uit onverschilligheid tegenover God, maar juist uit een botsing tussen wat hij over God gelooft en wat hij in de wereld ziet.

Dat patroon komt vaak terug in de Psalmen.

“Hoe lang nog?”

“Waarom verbergt U uw aangezicht?”

“Waarom staat U van verre?”

Dit zijn geen woorden van mensen die geen geloof meer hebben. Het zijn woorden van mensen die God ernstig genoeg nemen om Hem aan te spreken.

Dat is belangrijk.

Geloof hoeft niet te betekenen dat de spanning verdwijnt.

Het kan ook betekenen dat de spanning naar God toe wordt gedragen.

De klacht blijft relationeel.

De bidder loopt niet weg met zijn verwarring.

Hij brengt haar juist naar Degene die hij niet begrijpt.

Dat maakt Bijbelse klacht iets anders dan cynisme.

Cynisme verwacht uiteindelijk niets meer.

Klacht verwacht genoeg van God om zijn afwezigheid te voelen.

Wie werkelijk niets van God verwacht, hoeft Hem ook niet te vragen waarom Hij niet handelt.

Juist daarom kan klacht een vorm van trouw zijn.

Een mens zegt in wezen dat hij Gods goedheid niet loslaat, maar ook niet bereid is het kwaad goed te noemen om zijn geloof gemakkelijker te maken.

Dat is een moeilijke houding.

Het is eenvoudiger om één van beide kanten los te laten.

Ofwel we zeggen dat God goed is en maken het lijden kleiner dan het is.

Ofwel we nemen het lijden serieus en concluderen dat Gods goedheid niet langer geloofwaardig is.

De Psalmen kiezen vaak geen van beide.

Zij houden de spanning open.

God is mijn God.

En ik begrijp niet waarom Hij zwijgt.

God is rechtvaardig.

En ik zie onrecht.

God hoort.

En toch voelt het alsof mijn roep onbeantwoord blijft.

Die taal is theologisch volwassen omdat zij de werkelijkheid niet dwingt om sneller samen te vallen dan zij doet.

Dat betekent ook dat we niet ieder gebed hoeven af te sluiten met een verklaring.

Soms is een gebed eenvoudig een protest tegen wat niet goed is.

Dat protest hoeft niet tegen God gericht te zijn alsof Hij de vijand is.

Het kan juist voor God worden uitgesproken als beroep op zijn karakter.

De Psalmen doen dat herhaaldelijk.

De bidder herinnert God aan zijn beloften, zijn rechtvaardigheid en zijn eerdere daden.

Niet omdat God die vergeten is, maar omdat geloof zich vasthoudt aan wat over Hem bekend is wanneer de zichtbare werkelijkheid daar niet mee lijkt overeen te komen.

Dat geeft ook ruimte aan woede.

Niet iedere woede is zondig.

Er bestaat woede over onrecht.

Er bestaat afkeer van geweld.

Er bestaat een diep verlangen dat kwaad stopt.

De imprecatoire psalmen, waarin om oordeel over vijanden wordt gevraagd, kunnen voor moderne lezers ongemakkelijk zijn. Maar misschien ligt hun betekenis juist in het feit dat de bidder zijn verlangen naar vergelding niet zelf uitvoert, maar voor God brengt.

Dat is een belangrijk verschil.

Het slachtoffer hoeft niet te doen alsof het kwaad geen oordeel verdient.

Maar het hoeft evenmin zelf de uiteindelijke rechter te worden.

De roep om recht kan aan God worden voorgelegd.

Dat betekent niet dat menselijke rechtspraak overbodig wordt. Integendeel. Waar wij verantwoordelijkheid dragen, moeten we handelen.

Maar de uiteindelijke vergelding wordt niet volledig aan menselijke wraak toevertrouwd.

Daarmee ontstaat een lijn die voor deze hele reeks belangrijk is.

Begrijpen waar begrijpen mogelijk is.

Klagen waar begrijpen ophoudt.

Handelen waar verantwoordelijkheid begint.

Die drie horen bij elkaar.

Als we alleen begrijpen, kunnen we koud worden.

Als we alleen klagen, kunnen we passief worden.

Als we alleen handelen, kunnen we doen alsof menselijke daadkracht alles oplost.

De Schrift geeft ruimte aan alle drie.

Er zijn situaties waarin zorgvuldig onderzoek nodig is. Wie heeft gehandeld? Wie wist wat? Welke structuur maakte het kwaad mogelijk? Welke verantwoordelijkheid werd niet gedragen?

Er zijn situaties waarin directe actie nodig is. Een kind moet worden beschermd. Een misbruiker moet worden gestopt. Een onrechtvaardige structuur moet worden gecorrigeerd. Een slachtoffer moet worden gehoord.

Maar er blijven ook situaties waarin wij na al het onderzoek nog steeds niet weten waarom God niet eerder ingreep of waarom een bepaalde vorm van lijden niet werd voorkomen.

Daar begint klacht.

Klacht is geen alternatief voor handelen.

Zij begint waar handelen en begrijpen hun grens bereiken.

Dat is belangrijk omdat mensen soms geestelijke taal gebruiken om praktische verantwoordelijkheid te ontlopen.

Bidden voor een slachtoffer terwijl men nalaat hem te beschermen is geen volwassen geloof.

Klagen over het kwaad terwijl men zelf wegkijkt, is niet genoeg.

Maar het omgekeerde is ook waar.

Zelfs wanneer alles menselijk mogelijke is gedaan, kan er nog steeds een waarom overblijven dat niet door actie wordt opgelost.

Dan moet er ruimte zijn om dat waarom niet te verbergen.

Prediker leert ons bovendien dat niet iedere spanning in dit leven wordt rechtgezet.

Dat kan moeilijk zijn voor een geloof dat gewend is snel naar zichtbare uitkomst te zoeken.

We willen graag dat rechtvaardige mensen uiteindelijk al in dit leven duidelijk worden beloond en daders zichtbaar hun verdiende consequenties ontvangen.

Soms gebeurt dat.

Soms niet.

De Schrift verbergt dat niet.

Dat betekent dat de Bijbelse hoop verder moet reiken dan de zichtbare geschiedenis.

Als er geen oordeel na de dood is, geen opstanding en geen uiteindelijke waarheid, blijft een groot deel van het onrecht definitief onopgelost.

Daarom is eschatologische hoop geen decoratief einde van de christelijke boodschap.

Zij is noodzakelijk voor rechtvaardigheid.

Een kind dat sterft zonder ooit op aarde recht te ontvangen, kan niet volledig worden gerechtvaardigd door te zeggen dat andere kinderen later beter beschermd worden.

Een slachtoffer wiens dader nooit wordt gevonden, heeft meer nodig dan maatschappelijke vooruitgang.

Een rechtvaardige die door geweld sterft, heeft meer nodig dan de herinnering dat zijn voorbeeld anderen inspireerde.

Als de persoon zelf niet wordt hersteld, blijft iets wezenlijks ontbreken.

Daarom wordt opstanding zo belangrijk.

Niet alleen omdat de dood een biologisch probleem is.

Maar omdat rechtvaardigheid uiteindelijk persoonlijk moet zijn.

God kan niet alleen systemen herstellen.

Hij moet ook recht doen aan mensen.

Dat brengt ons dicht bij het thema van oordeel.

Voor veel mensen klinkt oordeel uitsluitend als bedreiging.

Maar voor slachtoffers kan oordeel juist onderdeel van hoop zijn.

Als God werkelijk oordeelt, betekent dat dat niets uiteindelijk verborgen blijft.

Geen daad.

Geen motief.

Geen misbruik van macht.

Geen nalatigheid.

Geen leugen waarmee een slachtoffer tot dader werd gemaakt.

Geen systeem dat zichzelf beschermde.

Dat betekent niet dat we al weten hoe ieder oordeel precies zal verlopen.

Maar het betekent wel dat de waarheid uiteindelijk niet afhankelijk blijft van menselijke dossiers, rechtbanken, herinneringen of machthebbers.

Dat is belangrijk voor mensen die in dit leven nooit volledig geloofd of gehoord worden.

Toch moeten we oordeel niet versmallen tot straf alleen.

Oordeel betekent ook waarheid.

Dat wordt in het volgende deel belangrijk.

Voor nu gaat het om de vraag wat we doen wanneer het waarom uitblijft.

We hoeven het gat niet onmiddellijk te vullen.

We mogen zeggen dat we het niet weten.

We mogen zeggen dat iets niet had mogen gebeuren.

We mogen zeggen dat God had kunnen ingrijpen en dat we niet begrijpen waarom Hij dat niet deed.

We mogen tegelijk blijven geloven dat Hij goed is.

Dat klinkt misschien als een onbevredigende positie.

Maar misschien is zij eerlijker dan een verklaring die Gods goedheid alleen kan behouden door het kwaad noodzakelijk te maken.

De Schrift lijkt die eerlijkheid zelf toe te staan.

Jezus aan het kruis citeert een psalm van verlatenheid.

“Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”

Die woorden zijn bijzonder belangrijk.

Christus spreekt niet alsof pijn altijd onmiddellijk door inzicht wordt opgelost.

Hij treedt zelf binnen in de taal van klacht.

We moeten daar theologisch zorgvuldig mee omgaan. De kruisiging heeft een unieke betekenis en die woorden kunnen niet eenvoudig worden gelijkgesteld aan iedere menselijke ervaring van verlatenheid.

Maar één ding wordt wel duidelijk.

De vraag “waarom?” is niet per definitie een teken van ongeloof.

Zij kan zelfs op de lippen van Christus staan.

Dat geeft enorme ruimte aan de lijdende mens.

Hij hoeft geen betere verklaring te produceren dan Christus op het moment van zijn diepste lijden uitspreekt.

Soms is de waarheid van het moment eenvoudig dat iets werkelijk donker is.

Daarmee wordt ook duidelijk waarom christelijke troost voorzichtig moet zijn.

Een mens in rouw heeft niet altijd direct een verklaring nodig.

Soms heeft hij iemand nodig die blijft.

Iemand die luistert.

Iemand die niet bang is voor de vraag.

Iemand die niet onmiddellijk probeert Gods reputatie te redden door het verlies een functie te geven.

De vrienden van Job waren in hun eerste stilte misschien dichter bij wijsheid dan later in hun verklaringen.

Dat is een belangrijke les.

Soms is aanwezigheid theologisch eerlijker dan antwoord.

Maar aanwezigheid alleen is niet het eindpunt.

Er blijft een toekomstverwachting.

Habakuk eindigt niet met de mededeling dat onrecht daarom acceptabel is.

Hij blijft leven vanuit vertrouwen.

De Psalmen bewegen regelmatig van klacht naar vertrouwen, al gebeurt dat niet in ieder psalm op dezelfde manier.

Psalm 88 is bijvoorbeeld opvallend omdat het bijna volledig in duisternis eindigt.

Ook dat staat in de Schrift.

Niet ieder gebed bereikt binnen één tekst al zichtbare vrede.

Dat is pastorale wijsheid.

Sommige nachten eindigen niet voor het einde van het hoofdstuk.

Daarom moeten we mensen ook niet dwingen een geestelijke conclusie te bereiken voordat hun werkelijkheid daar ruimte voor geeft.

Hoop kan bestaan zonder dat verdriet al verdwenen is.

Geloof kan bestaan zonder dat begrip voltooid is.

Een mens kan tegelijk rouwen en vertrouwen.

Hij kan tegelijk vragen en bidden.

Hij kan tegelijk woedend zijn over onrecht en weigeren zelf door haat beheerst te worden.

Dat zijn geen tegenstrijdigheden.

Het zijn tekenen van een geloof dat niet uit de werkelijkheid vlucht.

Daarmee komen we opnieuw bij verantwoordelijkheid.

Klacht aan God mag nooit worden gebruikt om onze eigen roeping uit handen te geven.

Wanneer wij vragen waarom God een kwetsbare niet beschermt, kan dezelfde Schrift ons vragen of wij zelf bereid zijn beschermer te worden.

Wanneer wij vragen waarom God onrecht laat bestaan, kan Hij ons door zijn geboden confronteren met wat wij zelf aan recht kunnen doen.

Wanneer wij bidden om voorziening voor een hongerige, kan de vraag ontstaan wat er in onze eigen hand ligt.

Dat betekent niet dat de mens Gods plaats inneemt.

Het betekent dat gebed en gehoorzaamheid niet uit elkaar mogen worden getrokken.

De Bijbelse mens bidt om Gods koninkrijk en wordt tegelijk geroepen om naar de waarden van dat koninkrijk te leven.

Daarmee ontstaat misschien een van de belangrijkste praktische conclusies uit onze zoektocht tot nu toe.

Niet ieder waarom krijgt een antwoord.

Maar ieder onbeantwoord waarom maakt menselijke trouw niet zinloos.

We hoeven de hele metafysische structuur van het lijden niet te begrijpen voordat we weten dat een kind beschermd moet worden.

We hoeven niet te weten waarom God ziekte niet onmiddellijk beëindigt voordat we weten dat de zieke liefde en zorg verdient.

We hoeven Gods volledige voorzienigheid niet te doorgronden voordat we weten dat waarheid boven reputatie moet staan.

Sommige morele verantwoordelijkheden blijven helder juist binnen theologische onzekerheid.

Dat is belangrijk.

Want anders kan gebrek aan verklaring een excuus voor passiviteit worden.

De Schrift doet het tegenovergestelde.

Zij geeft ons genoeg waarheid om te handelen, ook wanneer zij niet iedere reden onthult.

Dat brengt ons terug naar de drie bewegingen.

Begrijpen waar begrijpen mogelijk is.

Klagen waar begrijpen ophoudt.

Handelen waar verantwoordelijkheid begint.

Misschien is dat voorlopig een van de meest volwassen houdingen die we tegenover kwaad kunnen aannemen.

Niet doen alsof we niets weten.

Niet doen alsof we alles weten.

Niet zwijgen wanneer waarheid gesproken moet worden.

Niet spreken namens God waar Hij ons geen antwoord gegeven heeft.

Niet passief blijven wanneer bescherming mogelijk is.

Niet het geloof verlaten wanneer het waarom open blijft.

Maar daarmee komt een volgende vraag naar voren.

Als niet ieder waarom in dit leven wordt beantwoord, waar en hoe wordt dan uiteindelijk recht gedaan?

Als een dader sterft zonder volledig geconfronteerd te zijn met wat hij heeft aangericht, is de geschiedenis dan klaar?

Als een slachtoffer sterft zonder gehoord te zijn, blijft zijn waarheid dan voor altijd gedeeltelijk verborgen?

Als mensen door systemen heen schade hebben veroorzaakt zonder ooit persoonlijk verantwoordelijkheid te dragen, verdwijnt die werkelijkheid dan in het verleden?

De Schrift antwoordt daarop met oordeel.

Maar oordeel moet dan meer betekenen dan een simpele juridische uitspraak.

Als het werkelijk recht moet doen aan de geschiedenis, moet het ook waarheid aan het licht brengen.

Daarover gaat het volgende deel.