Christus als ware Mens
10 minuten leestijd
In Christus zien we niet alleen hoe God de zonde tegemoet treedt, maar ook wat voltooide menselijkheid betekent. Hij leeft niet autonoom van de Vader, maar in volmaakte afhankelijkheid, gehoorzaamheid en liefde. Dit deel onderzoekt daarom Christus als de ware Mens: de laatste Adam, de gehoorzame Zoon en het beeld van menselijke vrijheid die niet bestaat in afstand tot God, maar juist in volledige overeenstemming met Hem.
Wanneer we Christus alleen zien als degene die onze schuld draagt, missen we een deel van wat het Nieuwe Testament over Hem zegt. Hij is niet alleen de oplossing voor wat met de mens is misgegaan. Hij laat ook zien wat mens-zijn in zijn volheid betekent.
Dat wordt duidelijk wanneer Paulus Christus tegenover Adam plaatst. In Romeinen 5 en 1 Korintiërs 15 wordt Christus voorgesteld als degene die een nieuwe menselijkheid opent. Adam staat aan het begin van een geschiedenis van zonde en dood. Christus staat aan het begin van een geschiedenis van gehoorzaamheid, leven en opstanding.
Die tegenstelling is niet alleen juridisch.
Zij is ook menselijk.
In Adam zien we een mens die buiten Gods woord om grijpt. In Christus zien we een mens die ontvangt.
In Adam wordt gehoorzaamheid verlaten. In Christus wordt gehoorzaamheid tot het einde gedragen.
In Adam wordt menselijke vrijheid losgemaakt van vertrouwen. In Christus wordt vrijheid zichtbaar binnen volmaakte verbondenheid met de Vader.
Dat maakt de verzoeking van Jezus bijzonder belangrijk.
Na zijn doop wordt Hij in de woestijn verzocht. De eerste verzoeking gaat over brood. Jezus heeft honger. Brood is niet kwaad. Eten is niet kwaad. De verzoeking ligt dus opnieuw niet in een duidelijk kwaadaardig object.
De vraag is hoe Jezus zal handelen.
Zal Hij zijn macht gebruiken vanuit zichzelf, los van de weg die de Vader voor Hem heeft bepaald?
Juist daar lijkt de parallel met Genesis sterk.
Ook daar wordt iets goeds begeerd.
Ook daar staat de vraag centraal of het ontvangen moet worden binnen Gods woord of toegeëigend buiten dat woord om.
Jezus weigert niet omdat brood slecht is. Hij weigert omdat Hij niet buiten de wil van de Vader om zal handelen.
Daarmee wordt iets zichtbaar wat in Genesis verloren ging.
Menselijke afhankelijkheid is geen gebrek.
Zij kan volmaakt zijn.
Jezus is niet minder mens omdat Hij volledig op de Vader gericht leeft.
Juist daarin verschijnt ware menselijkheid.
Dat zien we ook in het Johannesevangelie. Jezus spreekt daar herhaaldelijk over zijn verhouding tot de Vader. Hij zegt dat de Zoon niets uit zichzelf kan doen, maar alleen wat Hij de Vader ziet doen.
Die woorden kunnen verkeerd worden gelezen alsof Jezus daarmee een passief of bijna willoos mens wordt.
Maar de context laat het tegenovergestelde zien.
Hij handelt met gezag.
Hij geneest.
Hij onderwijst.
Hij confronteert.
Hij vergeeft.
Hij kiest.
Hij gaat doelgericht zijn weg.
Afhankelijkheid maakt Hem niet zwak.
Zij maakt zijn handelen juist volledig geordend.
Dat is belangrijk voor onze eerdere vraag naar autonomie.
Wij zijn geneigd vrijheid te definiëren als het vermogen om los van iedere hogere bron zelf te bepalen wat wij doen.
Christus laat een ander beeld zien.
Zijn wil is werkelijk.
Zijn menselijkheid is werkelijk.
Zijn keuzes zijn werkelijk.
Maar zijn vrijheid bestaat niet in afstand tot de Vader.
Zij bestaat in volmaakte eenheid met de Vader.
Dat wordt nergens scherper zichtbaar dan in Getsemane.
Jezus zegt daar dat Hij wil dat de beker aan Hem voorbijgaat, maar voegt eraan toe dat niet zijn wil, maar die van de Vader zal geschieden.
Dat betekent niet dat zijn menselijke wil verdwijnt.
Integendeel.
De tekst laat juist zien dat er werkelijk iets wordt gewild.
Er is angst.
Er is lijden.
Er is een menselijke reactie op wat komt.
Gehoorzaamheid bestaat hier niet uit het ontbreken van een wil, maar uit het ordenen van de wil binnen vertrouwen en liefde.
Dat is een cruciaal verschil.
Ware gehoorzaamheid vernietigt de menselijke wil niet.
Zij voltooit haar richting.
Daardoor wordt Christus ook belangrijk voor onze vraag naar vrijheid en zondeloosheid.
Soms wordt gedacht dat vrijheid alleen echt kan zijn wanneer zonde altijd als levende mogelijkheid aanwezig blijft. Maar als dat waar was, zou volmaakte heiligheid uiteindelijk onvrijheid betekenen.
Christus laat zien dat die tegenstelling niet klopt.
Hij is volledig mens.
Hij is vrij.
En Hij zondigt niet.
Dat betekent dat vrijheid niet noodzakelijk bestaat in het voortdurend kunnen kiezen tussen goed en kwaad.
Vrijheid kan ook bestaan in het volledig kunnen handelen vanuit waarheid, liefde en gemeenschap met God.
Dat heeft grote gevolgen voor onze visie op de uiteindelijke bestemming van de mens.
Als de nieuwe schepping werkelijk zonder zonde is, hoeft dat niet te betekenen dat de mens daar minder vrij zal zijn.
Misschien is het tegenovergestelde waar.
Misschien wordt vrijheid pas volledig wanneer de wil niet langer innerlijk verdeeld is.
Wanneer zij niet langer wordt getrokken door leugen, angst, begeerte en vervorming.
Wanneer zij volledig in het goede kan rusten zonder daarmee haar eigenheid te verliezen.
Christus maakt dat voorstelbaar.
Niet als abstract ideaal, maar als mens.
Daarom is Hij niet alleen voorbeeld in morele zin.
Hij is ook openbaring van wat menselijke gehoorzaamheid werkelijk kan zijn.
Dat betekent niet dat wij Hem eenvoudig kunnen kopiëren door harder ons best te doen.
De Bijbel spreekt juist over afhankelijkheid van Hem, over de Geest, over nieuw leven en over verbondenheid met Christus.
Maar het betekent wel dat menselijke bestemming niet goed begrepen wordt wanneer autonomie als hoogste ideaal wordt behandeld.
Christus is volledig mens zonder autonoom van de Vader te zijn.
Dat moet zwaar wegen.
Hij laat zien dat afhankelijkheid en waardigheid samen kunnen bestaan.
Dat gehoorzaamheid en vrijheid samen kunnen bestaan.
Dat menselijke wil en goddelijke wil niet alleen als rivalen gedacht hoeven te worden.
Dat is belangrijk omdat we na Genesis gemakkelijk een verkeerde tegenstelling kunnen maken.
Alsof God groot is wanneer de mens klein blijft.
Alsof Gods wil sterker wordt naarmate de menselijke wil zwakker wordt.
Alsof afhankelijkheid betekent dat de mens minder werkelijk wordt.
Christus verbreekt die tegenstelling.
Hij is volledig ontvanger en volledig handelend.
Volledig afhankelijk en volledig verantwoordelijk.
Volledig gehoorzaam en volledig mens.
Daarin zien we misschien het diepste antwoord op de leugen van Genesis.
De slang suggereert dat de mens meer wordt door buiten God te grijpen.
Christus laat zien dat de mens juist vol wordt in gehoorzaamheid aan God.
De mens hoeft niet los van God te raken om werkelijk zichzelf te worden.
Hij hoeft niet autonoom te worden om volwassen te worden.
Hij hoeft de grens van schepsel-zijn niet te overwinnen.
Hij moet juist volledig leren leven binnen de waarheid van wie hij is.
Dat maakt ook duidelijk waarom de term “laatste Adam” zo belangrijk is.
Christus is niet alleen een tweede kans voor hetzelfde patroon.
Hij opent een nieuwe menselijkheid.
De eerste Adam is uit de aarde.
Christus wordt in 1 Korintiërs 15 verbonden met de hemelse mens.
Dat betekent niet dat zijn menselijkheid minder werkelijk is.
Het wijst op een andere bestemming.
De geschiedenis beweegt niet simpelweg terug naar het exacte beginpunt.
Zij beweegt naar een menselijkheid die in Christus haar voltooiing vindt.
Daarom is opstanding zo belangrijk.
Christus staat niet alleen op als iemand die de dood overleeft.
Hij wordt in 1 Korintiërs 15 de eersteling genoemd.
Zijn opstanding is begin van iets groters.
De nieuwe menselijkheid verschijnt eerst in Hem.
Dat is belangrijk voor de vraag of Adam en Eva bij hun schepping al volledig voltooid waren.
De Schrift zegt dat zij goed geschapen zijn.
Maar Christus wordt niet simpelweg beschreven als terugkeer naar Adams oorspronkelijke toestand.
Hij is laatste Adam, eersteling en hoofd van een nieuwe menselijkheid.
Dat suggereert minstens dat het einddoel rijker is dan alleen herstel van wat verloren ging.
We moeten daar voorzichtig mee blijven.
De Schrift zegt niet expliciet dat Adam bewust in een onvolwassen toestand geschapen werd met een vast ontwikkelingsprogramma naar een hogere staat.
Dat zou verder gaan dan de tekst.
Maar zij geeft wel ruimte voor het onderscheid tussen goed en voltooid.
Genesis beschrijft goedheid.
Het Nieuwe Testament spreekt over heerlijkheid, onvergankelijkheid, gelijkvormigheid aan Christus en volledige zoonschap.
Dat zijn niet vanzelfsprekend identieke categorieën.
Daarom kan het zijn dat menselijke bestemming vanaf het begin meer inhield dan eenvoudig onschuld bewaren.
De mens was geroepen om te leven, te ontvangen, te dragen en te groeien binnen gemeenschap met God.
De val heeft dat proces niet noodzakelijk veroorzaakt.
Zij heeft het beschadigd.
Dat onderscheid is essentieel.
We mogen niet zeggen dat zonde nodig was om Christus mogelijk te maken alsof het kwaad Gods noodzakelijke bouwsteen was.
De Schrift noemt zonde vijandschap, dood en slavernij.
Maar binnen die beschadigde geschiedenis brengt God in Christus iets voort dat werkelijk groter is dan terugkeer naar een ongeschonden tuin.
Dat zien we ook in de manier waarop Christus zijn leerlingen bij zijn werk betrekt.
In Johannes 14 zegt Hij dat wie in Hem gelooft de werken zal doen die Hij doet en zelfs grotere werken zal doen, omdat Hij naar de Vader gaat.
Die uitspraak verdient zorgvuldigheid.
Het is waarschijnlijk te eenvoudig om haar te lezen als belofte dat iedere individuele gelovige spectaculairdere wonderen zal doen dan Jezus.
De context gaat over zijn vertrek, de komst van de Geest en de uitbreiding van zijn werk door zijn leerlingen heen.
Daarmee verschijnt opnieuw het patroon van ontvangen en dragen.
De mens ontvangt van Christus en wordt vervolgens betrokken bij wat God in de wereld doet.
Dat sluit aan bij Johannes 15.
Daar zegt Jezus dat zijn leerlingen zonder Hem niets kunnen doen.
Die twee teksten moeten samen gelezen worden.
Aan de ene kant een verbazingwekkende menselijke roeping.
Aan de andere kant volledige afhankelijkheid.
Dat is precies de combinatie die door deze hele reeks heen steeds terugkomt.
De mens was niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is.
Wat hij ontvangt, is hem bovendien toevertrouwd om binnen de schepping te dragen.
Christus maakt die verhouding zichtbaar zonder de spanning die wij er vaak van maken.
Hij is volledig afhankelijk van de Vader en juist daardoor volledig beschikbaar voor Gods werk.
Zijn afhankelijkheid leidt niet tot terugtrekking uit de wereld.
Zij leidt tot handelen.
Hij geneest.
Hij spreekt waarheid.
Hij confronteert huichelarij.
Hij ontvangt kinderen.
Hij raakt melaatsen aan.
Hij weent bij een graf.
Hij dient.
Hij geeft zichzelf.
Ware afhankelijkheid van God maakt Hem dus niet minder betrokken bij menselijke nood.
Zij maakt Hem juist volmaakt gericht op het goede.
Daarin ligt ook een correctie op een verkeerde spiritualiteit.
Wie afhankelijkheid van God gebruikt om menselijke verantwoordelijkheid te ontlopen, volgt daarmee niet het patroon van Christus.
Christus' gehoorzaamheid maakt Hem niet passiever.
Zij maakt Hem trouw.
Dat is misschien ook waarom het christelijke doel niet kan zijn dat de menselijke wil uiteindelijk verdwijnt.
Het doel is dat zij vernieuwd wordt.
Ezechiël spreekt over een nieuw hart.
Paulus spreekt over vernieuwing van het denken.
Het Nieuwe Testament spreekt over gelijkvormigheid aan Christus.
Dat alles veronderstelt niet de vernietiging van de persoon, maar zijn herstel.
De mens wordt niet gered van zijn menselijkheid.
Hij wordt gered tot ware menselijkheid.
Daarom kan Christus zowel Verlosser als maatstaf zijn.
Hij redt ons niet door ons uiteindelijk iets anders dan mens te maken.
Hij brengt de mens terug naar God en tegelijk naar de bestemming waarvoor mens-zijn bedoeld is.
Dat maakt ook zijn lijden belangrijk, al moeten we daar opnieuw zorgvuldig zijn.
Hebreeën zegt dat Christus gehoorzaamheid geleerd heeft uit wat Hij geleden heeft en dat Hij door lijden tot voltooiing is gebracht.
Dat betekent niet dat Hij eerst ongehoorzaam of moreel gebrekkig was.
Het Griekse teleioō kan spreken over tot voltooiing of doel brengen.
Christus' gehoorzaamheid wordt dus niet theoretisch gebleven.
Zij wordt daadwerkelijk geleefd binnen menselijke omstandigheden.
Hij kent honger.
Vermoeidheid.
Afwijzing.
Verleiding.
Angst.
Pijn.
En juist binnen die werkelijkheid blijft Hij trouw.
Daarmee ontstaat een volgende vraag.
Als zelfs de zondeloze Christus in de Schrift door werkelijk geleefde gehoorzaamheid heen zijn menselijke roeping tot voltooiing brengt, wat zegt dat dan over onze eigen volwassenwording?
Betekent menselijke voltooiing dat een schepsel door geschiedenis heen leert dragen wat het ontvangen heeft?
En hoe moeten we daarover spreken zonder vervolgens te zeggen dat zonde, misbruik of extreem lijden noodzakelijk waren?
Dat wordt het onderwerp van het volgende deel.