Waarom de geschiedenis geleidelijk verloopt
11 minuten leestijd
De Bijbelse geschiedenis kan op het eerste gezicht lijken op een reeks verschillende pogingen om met zonde om te gaan: oordeel, verbond, wet, koningschap, profeten en uiteindelijk Christus. Maar de Schrift geeft geen grond om te denken dat God gaandeweg moest ontdekken wat wel en niet werkt. Dit deel onderzoekt daarom hoe de geschiedenis stap voor stap zichtbaar maakt hoe diep het probleem van zonde werkelijk zit en waarom uiterlijke begrenzing nooit voldoende is zonder vernieuwing van het hart.
Wanneer we de Bijbel als één doorgaande geschiedenis lezen, kan er een vreemde indruk ontstaan. Het lijkt soms alsof God verschillende middelen na elkaar inzet en pas gaandeweg duidelijk wordt wat werkelijk nodig is. Eerst komt oordeel. Daarna verbond. Vervolgens wet, priesterschap, koningschap, profetische correctie en uiteindelijk Christus. Wie dat te snel leest, zou kunnen denken dat God in de geschiedenis zoekt naar een oplossing voor een probleem dat moeilijker blijkt dan verwacht.
Die voorstelling moeten we zorgvuldig toetsen.
De Schrift beschrijft God niet als iemand die door experimenteren ontdekt wat zonde is of die pas na mislukte eerdere pogingen begrijpt wat de mens nodig heeft. Zijn kennis wordt nergens afhankelijk gemaakt van menselijke geschiedenis. Dat betekent niet dat de geschiedenis overbodig is, maar wel dat haar geleidelijkheid anders begrepen moet worden.
Misschien ontdekt God niet gaandeweg hoe diep het probleem is.
Misschien wordt voor de mens gaandeweg zichtbaar hoe diep het probleem werkelijk zit.
Dat onderscheid is belangrijk.
Na de val volgt niet onmiddellijk de voltooiing van de verlossing. De menselijke geschiedenis ontwikkelt zich. Kaïn doodt Abel. Geweld neemt toe. Genesis beschrijft uiteindelijk een aarde die gevuld is met geweld. De vloed brengt daar radicaal historisch oordeel over.
Maar na de vloed is het menselijke hart niet vernieuwd.
Dat wordt opvallend snel duidelijk. De mensheid begint opnieuw. Er is een nieuw begin, een verbond en een begrensde wereldorde, maar de fundamentele menselijke neiging tot zonde verdwijnt niet. Genesis zelf zegt na de vloed dat de neiging van het menselijke hart van zijn jeugd af kwaad is.
Dat is theologisch belangrijk.
Het oordeel heeft een gewelddadige wereld beëindigd, maar het heeft het probleem in de menselijke wil niet weggenomen.
Daarmee verschijnt een eerste onderscheid tussen het begrenzen van kwaad en het vernieuwen van de mens.
Een samenleving kan gestopt worden.
Een gewelddadige macht kan verdwijnen.
Een grens kan worden gesteld.
Maar daarmee is het hart nog niet veranderd.
Dat patroon keert terug.
Wanneer God Israël uit Egypte bevrijdt, zien we een indrukwekkende daad van verlossing. Een volk dat geen macht heeft om zichzelf te bevrijden, wordt uit slavernij geleid. Farao's macht wordt gebroken en Israël trekt door de zee.
Toch maakt bevrijding uit Egypte Israël niet automatisch tot een gehoorzaam volk.
Kort daarna ontstaat gemor.
Er is angst.
Er is ongeloof.
Er is het gouden kalf.
Dezelfde mensen die Gods macht hebben gezien, blijken nog steeds in staat om Hem niet te vertrouwen.
Ook hier blijkt iets belangrijks.
Een verandering van omstandigheden is niet hetzelfde als een verandering van hart.
Een slaaf kan vrij worden en innerlijk nog niet geleerd hebben als vrij mens te leven.
Een volk kan uit Egypte gehaald worden zonder dat Egypte onmiddellijk uit het volk verdwenen is.
Dat betekent niet dat de bevrijding mislukt.
Het betekent dat bevrijding alleen niet het volledige probleem oplost.
Daarna komt de wet.
De wet geeft vorm aan een volk dat geroepen is anders te leven. Zij maakt onderscheid tussen recht en onrecht, tussen heilig en onheilig, tussen bescherming en uitbuiting. Zij geeft concrete vormen aan aanbidding, rechtspraak, bezit, verantwoordelijkheid en zorg voor kwetsbaren.
De wet is daarmee geen teken dat God eerder nog niet wist wat goed was.
Zij maakt Gods goede orde kenbaar aan een volk dat binnen de geschiedenis moet leren leven.
Paulus zal later sterk benadrukken dat de wet heilig, rechtvaardig en goed is. Het probleem ligt volgens hem niet in de wet zelf.
Het probleem ligt in de mens die de wet ontvangt.
Dat is een cruciaal moment in de Bijbelse ontwikkeling.
Een goed gebod kan bekend zijn en toch overtreden worden.
Kennis van het goede is niet hetzelfde als het willen van het goede.
De mens kan weten wat recht is en toch anders handelen.
Daarmee wordt duidelijk waarom morele instructie alleen niet genoeg is om de mens te herstellen.
De wet kan het kwaad benoemen.
Zij kan grenzen stellen.
Zij kan verantwoordelijkheid zichtbaar maken.
Zij kan zonde ontmaskeren.
Maar zij kan niet eenvoudig van buitenaf een nieuwe wil in de mens plaatsen.
Dat wordt misschien nergens scherper zichtbaar dan in Romeinen 7, waar Paulus spreekt over de spanning tussen het goede dat gekend wordt en het kwaad dat toch gedaan wordt. Over de precieze interpretatie van dat hoofdstuk bestaan verschillende christelijke lezingen, maar één beweging is duidelijk: alleen weten wat goed is garandeert nog geen gehoorzaamheid.
De menselijke crisis ligt dus dieper dan gebrek aan informatie.
Daarom kan onderwijs noodzakelijk zijn zonder voldoende te zijn.
Ook offers nemen een belangrijke plaats in binnen Israëls leven. Zonde wordt niet behandeld alsof schuld onbelangrijk is. Verzoening, reiniging en herstel van gemeenschap krijgen rituele vorm.
Maar de brief aan de Hebreeën zal later benadrukken dat het herhaalde offerstelsel niet de uiteindelijke voltooiing is. De herhaling zelf wijst vooruit. Er is iets dat nog niet definitief is afgehandeld.
Ook daar zien we dezelfde beweging.
God leert Israël dat schuld ernstig is.
Verzoening is nodig.
Bloed en leven worden verbonden aan de ernst van zonde.
Maar de geschiedenis blijft vooruitwijzen.
Daarna komt het koningschap.
Israël verlangt een koning. Binnen Gods voorzienigheid ontstaat een koninklijke orde die uiteindelijk zelfs een belangrijke plaats krijgt in de Messiaanse verwachting.
Een rechtvaardige koning kan recht handhaven, vijanden begrenzen, kwetsbaren beschermen en een volk richting geven.
Maar ook koningschap vernieuwt het hart niet.
Saul faalt.
David, de man naar Gods hart, zondigt ernstig.
Salomo ontvangt wijsheid en raakt toch verstrikt in afgoderij.
Latere koningen brengen het volk soms terug naar God en leiden het op andere momenten juist verder van Hem af.
Daarmee wordt opnieuw zichtbaar dat zelfs goede structuren kwetsbaar blijven wanneer de mens die ze draagt innerlijk niet recht staat.
Een rechtvaardige wet met een corrupte rechter kan onrecht voortbrengen.
Een goede institutie met een slechte leider kan misbruikt worden.
Een heilige roeping met een ongeordend hart kan ontsporen.
Dat patroon is niet alleen oud.
Het is herkenbaar in iedere menselijke structuur.
We kunnen regels verbeteren.
Toezicht versterken.
Macht verdelen.
Processen aanpassen.
Dat kan werkelijk kwaad beperken en bescherming vergroten.
Maar geen enkele structuur maakt de menselijke wil automatisch goed.
Dat betekent niet dat structuren onbelangrijk zijn. Het zou gevaarlijk zijn om innerlijke vernieuwing te gebruiken als excuus om slechte systemen te laten bestaan. De Schrift roept juist tot rechtvaardige structuren.
Maar zij laat ook zien dat een rechtvaardige structuur en een rechtvaardig hart niet hetzelfde zijn.
Beide zijn nodig.
De profeten beginnen dat steeds explicieter te maken.
Hun boodschap bestaat niet alleen uit oproepen om bestaande wetten beter uit te voeren. Zij spreken over een diepere vernieuwing.
Jeremia kondigt een nieuw verbond aan waarin Gods wet niet alleen op stenen of rollen staat, maar in het hart wordt geschreven.
Ezechiël spreekt nog concreter. God belooft een nieuw hart en een nieuwe geest. Het hart van steen wordt weggenomen en er wordt een hart van vlees gegeven. Gods Geest zal maken dat zijn volk in zijn wegen gaat.
Dat is een fundamentele verschuiving.
Het probleem wordt niet langer alleen beschreven als verkeerd gedrag dat betere regels nodig heeft.
De mens zelf moet vernieuwd worden.
Niet omdat gedrag onbelangrijk is, maar omdat werkelijk goed gedrag uiteindelijk uit een gevormde wil moet voortkomen.
Hier raakt de Bijbelse geschiedenis aan een van de diepste vragen uit deze reeks.
Waarom kan God niet eenvoudig vanaf het begin een mens scheppen die vrij en toch volledig gevestigd in het goede is?
Die vraag blijft moeilijk.
De Schrift geeft ons geen filosofische verhandeling waarin alle redenen worden uitgewerkt. Maar zij laat wel zien dat Gods uiteindelijke doel niet slechts gedragscontrole is.
Hij wil geen mens die alleen goed handelt omdat iedere verkeerde mogelijkheid fysiek onmogelijk is gemaakt.
Hij vormt een mens die Hem kent, liefheeft en in vrijheid met Hem leeft.
Toch moeten we ook hier voorzichtig zijn.
Daaruit volgt niet dat zonde noodzakelijk was.
De Schrift zegt nergens dat Adam eerst moest vallen om uiteindelijk volwassen te kunnen worden.
Evenmin mogen we kwaad noodzakelijk maken om Gods doel te verklaren.
Dat zou betekenen dat het kwaad uiteindelijk een onmisbaar onderdeel van Gods goede scheppingsplan was. Daarvoor hebben we geen grond.
Wat we wel kunnen zeggen, is dat God binnen een geschiedenis waarin zonde werkelijk is binnengekomen, niet alleen gedrag corrigeert maar de mens naar diepere vernieuwing leidt.
De geschiedenis wordt daarmee geen bewijs dat de val noodzakelijk was.
Zij laat zien hoe God met een werkelijk gevallen mens omgaat.
Dat onderscheid beschermt ons tegen een subtiele fout.
We mogen Gods vermogen om uit geschiedenis volwassenheid voort te brengen niet verwarren met de gedachte dat ieder kwaad daarom nodig was om die volwassenheid mogelijk te maken.
Een vader kan zijn zoon leren verantwoordelijkheid te dragen nadat die zoon een ernstige fout heeft gemaakt.
Daaruit volgt niet dat de fout noodzakelijk was.
De vader kan de gebeurtenis gebruiken zonder haar te hebben gewild als kwaad.
Zo moeten we ook voorzichtig zijn wanneer we spreken over Gods vorming van mensen door de geschiedenis heen.
De Schrift kent wel degelijk discipline.
Hebreeën 12 spreekt over vaderlijke tuchtiging en gebruikt het Griekse begrip paideia, dat breder is dan straf alleen. Het gaat om opvoeding, vorming en training.
God behandelt zijn kinderen dus niet slechts als overtreders die juridisch moeten worden gecorrigeerd.
Hij vormt hen.
Maar ook dat betekent niet dat ieder lijden automatisch goddelijke opvoeding is.
Een misbruikt kind mag niet worden verteld dat zijn misbruik nodig was als paideia.
Een oorlogsslachtoffer hoeft zijn verlies niet als individueel ontworpen lesprogramma van God te begrijpen.
God kan mensen vormen binnen een wereld waarin lijden bestaat zonder dat ieder concreet lijden door Hem als vormingsinstrument ontworpen hoeft te zijn.
Dat onderscheid moet voortdurend bewaakt worden.
De geleidelijkheid van de Bijbelse geschiedenis kan daarom beter worden gezien als openbaring en vorming dan als goddelijke proefneming.
God openbaart wie Hij is.
Hij laat zien wat recht is.
Hij stelt grenzen.
Hij bevrijdt.
Hij geeft wet.
Hij roept leiders.
Hij zendt profeten.
En door dat alles heen wordt steeds duidelijker dat het menselijke probleem niet uitsluitend buiten de mens ligt.
Farao is niet het enige probleem.
Egypte is niet het enige probleem.
Kanaän is niet het enige probleem.
Een verkeerde koning is niet het enige probleem.
Zelfs een slecht systeem is niet het laatste probleem.
De mens draagt de mogelijkheid tot ontregeling zelf mee.
Daarom kan het kwaad opnieuw verschijnen nadat een oude onderdrukker verdwenen is.
Israël kan zelf gaan doen wat het in Egypte is aangedaan.
Een bevrijd volk kan nieuwe afgoden maken.
Een rechtvaardige koning kan vallen.
Een priester kan zijn positie misbruiken.
Een profeet kan weigeren.
De grens tussen goed en kwaad loopt niet eenvoudig tussen één goed volk en één slecht volk.
Zij loopt door de menselijke geschiedenis heen en uiteindelijk ook door het menselijke hart.
Daarom wordt de belofte van een nieuw hart zo belangrijk.
Gods uiteindelijke antwoord moet dieper reiken dan gedrag.
Daarmee komt Christus steeds duidelijker in beeld.
Niet als Gods laatste poging nadat eerdere methoden niet gewerkt hebben.
Maar als de vervulling waarnaar de eerdere geschiedenis vooruitwijst.
De wet maakt heiligheid zichtbaar.
De offers leren de ernst van schuld en verzoening.
Het koningschap vormt de verwachting van een rechtvaardige koning.
De profeten spreken over herstel, een nieuw verbond en Gods Geest.
In Christus komen die lijnen samen.
Dat betekent niet dat ieder detail van het Oude Testament alleen betekenis heeft als directe verborgen voorspelling van Jezus. De geschiedenis heeft ook haar eigen concrete betekenis.
Maar canoniek beweegt zij wel naar Hem.
Daar wordt ook zichtbaar waarom uiterlijke correctie alleen nooit genoeg kon zijn.
Christus komt niet alleen met betere regels.
Hij komt niet alleen om een politieke macht te vervangen.
Hij komt niet alleen om informatie over God te geven.
Hij komt om de mens met God te verzoenen en een nieuwe menselijkheid te openen.
Paulus zal daarom niet alleen spreken over vergeving, maar ook over de oude en de nieuwe mens, over sterven en opstaan met Christus, over leven door de Geest en over gelijkvormigheid aan Christus.
Dat is veel radicaler dan gedragsverbetering.
Het gaat om een vernieuwde wijze van bestaan.
Daarmee begint ook een ander begrip van gehoorzaamheid zichtbaar te worden.
Niet gehoorzaamheid als uiterlijke onderwerping van een mens die innerlijk iets anders wil.
Maar gehoorzaamheid waarin de wil zelf steeds meer overeenkomt met het goede.
Dat is uiteindelijk belangrijk voor onze vraag naar vrijheid.
Als vrijheid alleen betekent dat iemand altijd zowel goed als kwaad moet kunnen kiezen, lijkt een wereld zonder zonde onmogelijk zonder verlies van vrijheid.
Maar Christus laat iets anders zien.
Hij is volledig mens.
Hij gehoorzaamt werkelijk.
Hij wordt verzocht.
Hij handelt vrij.
En toch wordt zijn menselijkheid niet vollediger naarmate Hij zich verder van de Vader verwijdert.
Juist het tegenovergestelde.
Zijn volledige menselijkheid wordt zichtbaar in volmaakte verhouding tot de Vader.
Daarmee komen we bij het volgende deel.
Want als Christus niet alleen degene is die de schuld van mensen draagt, maar ook de ware Mens in wie zichtbaar wordt wat menselijke vrijheid, gehoorzaamheid en afhankelijkheid werkelijk betekenen, dan moeten we Hem niet alleen bekijken als antwoord op onze zonde.
We moeten ook vragen wat Hij ons laat zien over mens-zijn zelf.