God handelt door mensen heen
12 minuten leestijd
De Schrift laat zien dat God rechtstreeks kan handelen, maar ook opvallend vaak mensen roept om zijn wil binnen de geschiedenis te dragen. Abraham pleit, Mozes wordt gezonden, profeten spreken, rechters moeten recht doen en apostelen worden uitgezonden. Dit deel onderzoekt waarom menselijke bemiddeling geen teken van Gods onmacht is, maar onderdeel lijkt te zijn van de roeping van de mens als ontvanger, drager en verantwoordelijke vertegenwoordiger binnen de schepping.
In de vorige delen is steeds duidelijker geworden dat de vraag naar kwaad niet alleen draait om wat God doet of nalaat. De mens heeft zelf een werkelijke plaats binnen de geschiedenis gekregen. Hij kan handelen, beschermen, spreken, recht doen, zwijgen, nalaten en misbruiken. Maar daarmee ontstaat een nieuwe vraag. Waarom heeft God de mens zo'n grote rol gegeven?
De Schrift laat namelijk zien dat God ook zonder menselijke tussenkomst kan handelen. Hij spreekt en de schepping ontstaat. Hij brengt oordeel. Hij opent de zee. Hij stuurt vuur, wind en engelen. Hij geneest en wekt doden op. Het zou daarom onjuist zijn om te zeggen dat God mensen nodig heeft omdat Hij anders niet in staat zou zijn zijn wil uit te voeren.
Toch kiest Hij opvallend vaak voor menselijke deelname.
Wanneer God in Exodus zegt dat Hij de ellende van Israël heeft gezien, hun geroep heeft gehoord en hun lijden kent, volgt daarop de roeping van Mozes. God zegt niet alleen dat Hij Israël zal bevrijden, maar ook dat Hij Mozes naar farao zal zenden. De man die op dat moment liever buiten beeld blijft, wordt betrokken bij het antwoord op het lijden van anderen.
Dat patroon is belangrijk. God ziet en hoort, maar Hij zendt ook.
Mozes is daarbij geen zelfstandige redder. Zijn eerste reactie maakt dat direct duidelijk. Hij vraagt wie hij is om naar farao te gaan. Gods antwoord is niet dat Mozes zichzelf moet vertrouwen of ontdekken hoeveel kracht er eigenlijk al in hem verborgen ligt. God zegt dat Hij met hem zal zijn.
Daarmee wordt een verhouding zichtbaar die door de hele Schrift heen terugkeert. God roept de mens werkelijk tot handelen, maar menselijke roeping blijft afhankelijk van Gods aanwezigheid.
Dat is iets anders dan passiviteit.
Mozes moet daadwerkelijk naar Egypte terugkeren. Hij moet spreken. Hij moet voor farao verschijnen. Hij moet leidinggeven aan een volk dat hem later herhaaldelijk zal tegenspreken. Zijn gehoorzaamheid krijgt historische gevolgen.
Maar de kracht van zijn roeping ligt niet in autonomie. Zij ligt in de woorden: Ik zal met u zijn.
Dat sluit direct aan bij wat we eerder over het schepsel zagen. De mens wordt niet groot door los van God te functioneren. Hij kan juist een grote verantwoordelijkheid dragen terwijl hij ontvanger blijft.
Abraham laat een andere vorm van menselijke deelname zien. In Genesis 18 wordt hij geen uitvoerder van een opdracht, maar gesprekspartner. Wanneer God spreekt over het komende oordeel over Sodom, pleit Abraham voor de rechtvaardigen die zich mogelijk in de stad bevinden. Hij vraagt, redeneert en blijft spreken.
Dat is opmerkelijk.
God behandelt Abraham niet als een object dat alleen bevelen ontvangt. Er ontstaat werkelijk gesprek. Abraham weet dat hij schepsel is en spreekt met grote eerbied, maar die eerbied maakt hem niet stil. Hij beroept zich juist op Gods rechtvaardigheid.
Hier verschijnt een andere dimensie van roeping. De mens kan niet alleen handelen namens God, maar ook voor andere mensen voor God verschijnen.
Dat betekent niet dat Abraham God informatie geeft die God niet kent. Evenmin hoeft het te betekenen dat God pas door Abrahams argumentatie moreel tot een betere conclusie komt. De tekst geeft daarvoor geen grond.
Wat de tekst wel laat zien, is dat God een mens werkelijk ruimte geeft om binnen zijn handelen te spreken en te pleiten.
Diezelfde beweging keert later terug bij Mozes. Wanneer Israël zwaar zondigt, pleit Mozes meer dan eens voor het volk. Hij beroept zich op Gods beloften, Gods naam en Gods eerdere handelen.
Menselijke bemiddeling krijgt daarmee een steeds bredere betekenis.
Soms is zij praktische gehoorzaamheid.
Soms leiderschap.
Soms voorspraak.
Soms profetisch spreken.
Soms bescherming.
Soms rechtspraak.
Soms het verkondigen van een boodschap die de hoorder liever niet wil horen.
De profeten zijn daarvan misschien het duidelijkste voorbeeld. God kan zelf tot een koning spreken, maar Hij zendt Nathan naar David. God kan zelf het onrecht van Israël benoemen, maar Hij roept Amos, Jesaja, Jeremia en anderen om dat in menselijke taal uit te spreken.
Dat maakt menselijke taal niet onbelangrijk.
De profeet wordt niet slechts een leeg kanaal waardoor woorden mechanisch heen stromen. Zijn leven, moed, verdriet en gehoorzaamheid raken verweven met zijn roeping. Jeremia lijdt onder de boodschap die hij moet dragen. Ezechiël wordt in zijn eigen leven tot teken. Hosea's bestaan wordt verbonden met zijn profetische opdracht.
Gods spreken betreedt zo de menselijke geschiedenis door werkelijke mensen heen.
Dat draagt ook risico.
Een profeet kan weigeren.
Jona vlucht.
Mozes aarzelt.
Koningen kunnen ongehoorzaam worden.
Priesters kunnen hun roeping misbruiken.
Rechters kunnen corrupt handelen.
Menselijke deelname betekent dus niet automatisch dat Gods goede wil altijd zuiver door mensen wordt uitgevoerd.
Juist daarin wordt opnieuw duidelijk waarom menselijke verantwoordelijkheid zo zwaar weegt.
God kan iemand roepen om recht te doen en die persoon kan onrecht doen.
God kan iemand verantwoordelijkheid geven voor een kudde en die persoon kan zichzelf voeden ten koste van de kudde.
God kan iemand een stem geven voor de kwetsbare en die persoon kan zwijgen.
Dat betekent niet dat Gods wil moreel verandert wanneer de mens faalt. Het betekent dat de geroepen mens zijn roeping niet vervult.
Dat onderscheid is essentieel.
Wanneer een mens die geroepen was te beschermen nalaat te handelen, kunnen we niet eenvoudig zeggen dat zijn nalatigheid daarom Gods bedoeling was. Het is juist mogelijk dat zijn falen bestaat in het niet uitvoeren van het goede waarvoor hij verantwoordelijkheid had ontvangen.
Daarmee wordt ook het probleem uit de eerdere delen scherper.
Wanneer we vragen waarom God een ander mens niet gebruikte om een slachtoffer te beschermen, kunnen we soms ontdekken dat er wel degelijk mensen aanwezig waren die hadden kunnen handelen.
Misschien werden signalen genegeerd.
Misschien zweeg iemand uit angst.
Misschien koos een instelling voor reputatie.
Misschien wist iemand genoeg om verder te onderzoeken en deed hij dat niet.
In zulke situaties is het te gemakkelijk om alleen te zeggen dat God niet ingreep.
De Schrift zou ook vragen wat de geroepen mens deed met zijn verantwoordelijkheid.
Maar opnieuw moeten we voorzichtig zijn. We kunnen niet achter iedere gemiste bescherming een specifieke goddelijke roeping reconstrueren die wij niet kennen. Niet ieder toevallig aanwezige persoon was noodzakelijk door God op precies dat moment aangewezen als redder.
Wat we wel kunnen zeggen, is dat de Bijbelse orde menselijke verantwoordelijkheid werkelijk serieus neemt. Wie een positie van zorg, gezag of kennis ontvangt, staat daarmee niet buiten Gods morele orde.
Dat wordt bijzonder duidelijk in de wet en de profeten.
De vreemdeling, weduwe, wees en arme worden niet alleen aan Gods directe bescherming toevertrouwd. Israël zelf wordt geboden hen niet te onderdrukken en recht te doen.
Dat is opvallend.
God zegt niet dat menselijke gerechtigheid overbodig is omdat Hij zelf rechtvaardig is.
Juist omdat Hij rechtvaardig is, moeten zijn mensen recht doen.
Gods karakter wordt daarmee norm voor menselijke verantwoordelijkheid.
De mens wordt geroepen iets van Gods goede orde zichtbaar te maken binnen de geschapen werkelijkheid.
Daar kunnen we opnieuw voorzichtig aansluiting zoeken bij het beeld van God uit Genesis. De directe context van Genesis 1 verbindt het beeld-zijn van de mens met verantwoordelijkheid binnen de schepping. De mens ontvangt heerschappij, maar niet als autonome eigenaar. Hij regeert binnen een werkelijkheid die van God blijft.
Dat kan betekenen dat menselijke vertegenwoordiging van het begin af aan bij de roeping van de mens hoort.
Niet omdat God afwezig is.
Maar juist omdat Hij de mens een werkelijke plaats geeft.
De mens wordt daardoor niet slechts gered uit de wereld. Hij wordt geroepen binnen die wereld verantwoordelijkheid te dragen.
Dat patroon bereikt een bijzonder moment in de koningen van Israël.
Een koning krijgt macht om recht te doen en het volk te leiden. Psalm 72 laat zien hoe koningschap idealiter verbonden wordt met recht voor armen, bevrijding van behoeftigen en bescherming tegen onderdrukking.
Maar juist de geschiedenis van Israëls koningen laat zien hoe gemakkelijk ontvangen macht van haar doel kan afwijken.
David kan recht doen, maar ook zijn macht gebruiken tegen Uria.
Achab kan regeren, maar ook toestaan dat Naboth wordt vernietigd om diens wijngaard te verkrijgen.
De menselijke vertegenwoordiger kan dus iets van Gods orde dragen of haar juist ernstig verdraaien.
Daarom komt profetische correctie steeds terug.
De koning staat niet boven God.
De priester staat niet boven God.
De profeet staat niet boven God.
Geen enkele menselijke bemiddelaar wordt de Bron.
Dat beschermt tegen een gevaar dat steeds opnieuw in menselijke geschiedenis verschijnt: dat degene die namens God handelt zichzelf uiteindelijk met God vereenzelvigt.
De Bijbel doorbreekt dat voortdurend.
Mozes is groot, maar hij is niet God.
David is gezalfd, maar hij wordt geoordeeld.
Profeten spreken Gods woord, maar blijven mensen.
Apostelen ontvangen gezag, maar worden gecorrigeerd.
Geen menselijke vertegenwoordiging wordt absoluut.
Daarmee komen we uiteindelijk bij Christus, maar nog niet op dezelfde manier als in het volgende deel van de reeks.
Christus is namelijk niet eenvoudig één menselijke bemiddelaar tussen vele anderen.
Het Nieuwe Testament noemt Hem de ene Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus. In Hem krijgt menselijke bemiddeling een unieke en beslissende vorm.
Gods reddende handelen komt niet slechts door een profeet die naar de mens wordt gezonden.
Het Woord wordt vlees.
Dat betekent dat Gods antwoord op de menselijke toestand niet buiten de menselijkheid blijft.
Christus komt werkelijk als mens.
Hij spreekt, gehoorzaamt, lijdt en handelt binnen onze geschiedenis.
Daarin wordt de menselijke roeping niet afgeschaft, maar juist in haar volheid zichtbaar.
Christus toont niet wat menselijke autonomie kan bereiken.
Hij toont wat ware menselijke gehoorzaamheid aan de Vader is.
Na zijn opstanding en hemelvaart verdwijnt menselijke deelname bovendien niet.
De Geest wordt gegeven.
De apostelen worden gezonden.
De kerk wordt het lichaam van Christus genoemd.
Dat betekent niet dat de kerk een tweede Christus wordt of zelfstandig verlossing kan bemiddelen. Christus blijft Heer en Middelaar.
Maar zijn werk krijgt opnieuw menselijke dragers.
Het evangelie wordt door mensen verkondigd.
Hongerigen worden door mensen gevoed.
Zieken worden bezocht.
Gemeenten worden opgebouwd.
Onrecht wordt benoemd.
Waarheid wordt geleerd.
Vergeving wordt verkondigd.
De mens wordt daarmee opnieuw ontvanger en drager.
Dat geeft ook een bijzondere betekenis aan Jezus' woorden in Johannes 14. Hij zegt dat wie in Hem gelooft de werken zal doen die Hij doet en zelfs grotere werken zal doen, omdat Hij naar de Vader gaat.
Die woorden moeten zorgvuldig worden gelezen. Het ligt niet voor de hand dat Jezus daarmee eenvoudig bedoelt dat iedere gelovige spectaculairdere wonderen zal doen dan Hij. De context van zijn vertrek, de komst van de Geest en de uitbreiding van het evangelie wijst op een bredere werkelijkheid.
Na Christus' hemelvaart zal zijn werk zich door vele mensen, talen en volken heen uitbreiden.
De menselijke roeping wordt dus niet kleiner wanneer Christus verhoogd wordt.
Zij wordt dieper in Hem opgenomen.
Tegelijk blijft Johannes 15 de grens helder maken: los van Christus kunnen zijn leerlingen niets doen.
Daar keert onze eerdere lijn in volle kracht terug.
De mens was niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is.
Wat hij ontvangt, wordt hem bovendien toevertrouwd om binnen de schepping te dragen.
Dat betekent dat afhankelijkheid en verantwoordelijkheid geen tegenstellingen zijn.
De mens kan volledig afhankelijk van God zijn en toch werkelijk handelen.
Hij kan gehoorzaam zijn zonder passief te worden.
Hij kan door God gedragen worden zonder zijn eigen verantwoordelijkheid te verliezen.
Dat is misschien één van de belangrijkste correcties op twee tegenovergestelde beelden van geloof.
In het ene beeld moet God alles doen en wordt menselijke verantwoordelijkheid bijna verdacht.
In het andere beeld ligt alles uiteindelijk bij menselijke daadkracht en wordt afhankelijkheid zwakte.
De Schrift houdt beide samen.
God handelt.
De mens wordt geroepen.
God geeft.
De mens ontvangt en draagt.
God is de Bron.
De mens wordt werkelijk betrokken.
Dat kan ook verklaren waarom menselijke verantwoordelijkheid in de Bijbel zo zwaar weegt. Wanneer God een mens gebruikt om zijn goede wil binnen de wereld te dragen, wordt nalatigheid meer dan persoonlijke passiviteit. Zij kan betekenen dat een ander mens het goede niet ontvangt dat via onze verantwoordelijkheid had moeten worden doorgegeven.
Toch mag ook deze gedachte niet een nieuw allesverklarend systeem worden.
We kunnen niet zeggen dat al het lijden bestaat omdat mensen hun roeping niet uitvoeren.
Ziekte, vergankelijkheid en dood gaan verder dan menselijke nalatigheid.
Evenmin kunnen we zeggen dat God nooit rechtstreeks handelt wanneer mensen falen. De Schrift laat het tegenovergestelde zien.
Menselijke bemiddeling is daarom geen universele verklaring voor Gods handelen.
Zij is een belangrijk patroon.
God lijkt de mens niet buiten zijn herstel van de wereld te plaatsen, maar hem daarin op te nemen.
Dat roept uiteindelijk een nog diepere vraag op.
Waarom verloopt dat herstel zo langzaam?
Waarom bestaat er een lange geschiedenis van roeping, falen, oordeel, wet, profeten en telkens nieuwe generaties?
Waarom komt het nieuwe hart niet onmiddellijk nadat de eerste mens zondigt?
Waarom wordt de menselijke geschiedenis niet in één moment van buitenaf hersteld?
Wanneer we de Bijbel chronologisch lezen, kan het bijna lijken alsof verschillende oplossingen elkaar opvolgen. Eerst oordeel, dan verbond, dan wet, dan koningschap, dan profeten en uiteindelijk Christus.
Maar misschien is dat niet Gods zoektocht naar een oplossing.
Misschien laat de geschiedenis stap voor stap zien wat het probleem werkelijk is en waarom geen verandering die alleen van buitenaf werkt de mens volledig kan herstellen.
Daar begint het volgende deel.