Lijden, gehoorzaamheid en volwassen zoonschap
11 minuten leestijd
De Schrift spreekt niet alleen over vergeving en herstel, maar ook over groei, vorming en volwassenwording. Dit deel onderzoekt wat het betekent dat zelfs Christus gehoorzaamheid “leerde” door wat Hij leed, hoe Hebreeën, Galaten, Efeziërs en Romeinen spreken over volwassen zoonschap en waarom goed geschapen zijn niet hetzelfde hoeft te zijn als reeds voltooid zijn. Tegelijk bewaken we scherp dat deze lijn nooit gebruikt mag worden om zonde of extreem lijden noodzakelijk te verklaren.
Wanneer de Schrift over de bestemming van de mens spreekt, gaat het niet alleen over vergeving van schuld of terugkeer naar een eerdere staat. Er is ook taal van groei, vorming, volwassenwording, zoonschap en heerlijkheid. Dat roept een belangrijke vraag op. Was de mens vanaf het begin niet alleen goed, maar ook reeds volledig voltooid? Of kan er een verschil bestaan tussen goed geschapen zijn en tot volle bestemming gebracht worden?
Die vraag wordt bijzonder scherp wanneer we naar Christus kijken. Hebreeën zegt dat Hij, hoewel Hij Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft uit wat Hij geleden heeft. Op het eerste gezicht kan dat vreemd klinken. Christus is immers niet iemand die eerst ongehoorzaam was en daarna door correctie gehoorzaam werd. De tekst kan dus niet eenvoudig betekenen dat Hij moreel tekortschiet en vervolgens verbetering nodig heeft.
Het gaat om iets anders. Gehoorzaamheid wordt in Hem niet alleen als innerlijke gezindheid verondersteld, maar werkelijk geleefd binnen omstandigheden waarin trouw iets kost. Hij kent honger, vermoeidheid, verleiding, afwijzing, angst, onrecht en lichamelijke pijn. Zijn gehoorzaamheid blijft niet abstract. Zij krijgt gestalte in de geschiedenis.
Dat helpt om ook het woord “volmaakt” of “tot voltooiing gebracht” in Hebreeën beter te begrijpen. Het Griekse teleioō hoeft niet te betekenen dat iemand eerst moreel gebrekkig was en daarna foutloos werd. Het kan ook wijzen op het bereiken van doel, bestemming of volledige geschiktheid voor een roeping. Christus wordt dus niet moreel gerepareerd. Zijn gehoorzaamheid wordt volledig doorleefd en zijn roeping wordt tot haar doel gebracht.
Daarmee verschijnt een belangrijk onderscheid.
Onschuld is niet hetzelfde als volwassenheid.
Goedheid is niet automatisch hetzelfde als voltooiing.
Een kind kan goed zijn zonder reeds de volwassen draagkracht van een volwassene te bezitten. Dat maakt het kind niet gebrekkig in morele zin. Het betekent alleen dat zijn leven nog niet alle vormen van verantwoordelijkheid, trouw en doorleefde keuze heeft gedragen die later mogelijk zijn.
We moeten voorzichtig zijn met deze vergelijking, omdat de Schrift Adam en Eva nergens simpelweg “kinderen” noemt. Maar het onderscheid helpt wel om een mogelijkheid te begrijpen die de Bijbel niet uitsluit: de eerste mens kon werkelijk goed geschapen zijn en toch nog een geschiedenis van groei, gehoorzaamheid en verdieping voor zich hebben.
Dat sluit aan bij een bredere Bijbelse lijn. Galaten 4 spreekt over een erfgenaam die, zolang hij minderjarig is, weinig verschilt van een slaaf, ook al is hij heer van alles. Paulus gebruikt dat beeld in een specifieke heilshistorische context, maar het laat wel zien dat erfgenaamschap en volwassen bezit van die erfenis niet hetzelfde moment hoeven te zijn.
Efeziërs 4 spreekt vervolgens over het bereiken van volwassenheid, over het toegroeien naar de maat van de volheid van Christus. De kerk wordt daar niet alleen geroepen om verkeerde dingen achter zich te laten, maar om werkelijk volwassen te worden.
Romeinen 8 voegt daar de taal van zoonschap en heerlijkheid aan toe. De Geest getuigt dat gelovigen kinderen van God zijn en daarom ook erfgenamen. Toch ziet Paulus nog uit naar iets dat niet volledig zichtbaar is. Er is verwachting, lijden, hoop en toekomstige heerlijkheid.
Dat betekent dat Bijbels zoonschap zowel identiteit als bestemming omvat.
De gelovige is kind van God.
En tegelijk wordt hij gevormd naar het beeld van Christus.
Hij ontvangt.
En hij groeit in wat hij ontvangen heeft.
Dat past bij een lijn die in deze reeks steeds terugkomt. De mens is niet geschapen om weinig van God te ontvangen, maar om veel van God te ontvangen zonder ooit te vergeten dat hij ontvanger is. Wat hij ontvangt, wordt hem bovendien toevertrouwd om binnen de schepping te dragen.
Volwassenheid betekent dan niet dat afhankelijkheid verdwijnt.
Zij betekent dat ontvangen leven steeds voller gedragen wordt.
Daarmee wordt Christus opnieuw beslissend. Hij laat zien dat volwassen menselijke gehoorzaamheid niet bestaat in autonomie. Juist zijn volledige afhankelijkheid van de Vader vormt de ruimte waarin zijn menselijke roeping volmaakt tot uitdrukking komt.
Dat is belangrijk, omdat wij volwassenheid vaak spontaan verbinden met zelfstandigheid. Een kind groeit op en wordt steeds minder afhankelijk van zijn ouders. Vanuit menselijke opvoeding is dat begrijpelijk, maar die vergelijking kan niet zonder meer op God worden toegepast.
De mens groeit niet naar een toestand waarin hij God uiteindelijk niet meer nodig heeft.
Dat zou geen volwassen zoonschap zijn.
Het zou de ontkenning van schepsel-zijn zijn.
Bijbelse volwassenheid moet daarom anders worden gedacht. Niet als minder ontvangen, maar als bewuster ontvangen. Niet als minder afhankelijk, maar als vrijer en trouwer binnen afhankelijkheid. Niet als passief blijven, maar als steeds beter dragen wat God toevertrouwt.
Daar komt ook het thema van lijden binnen.
De Schrift leert duidelijk dat lijden een mens kan vormen. Jakobus spreekt over beproeving die volharding bewerkt. Paulus spreekt in Romeinen 5 over verdrukking die volharding, beproefdheid en hoop kan voortbrengen. Hebreeën 12 spreekt over tuchtiging als vaderlijke vorming.
Daaruit volgt echter niet dat ieder lijden noodzakelijk was om de mens te vormen.
Dat onderscheid moet scherp blijven.
Een mens kan binnen lijden gevormd worden zonder dat het lijden daarom als kwaad noodzakelijk of goed wordt.
Een slachtoffer kan na ernstig onrecht groeien in wijsheid, kracht en mededogen zonder dat het onrecht daarom een noodzakelijke les van God was.
Een gelovige kan binnen ziekte leren vertrouwen zonder dat iedere ziekte daarom speciaal ontworpen is als opvoedingsinstrument.
De vorming is werkelijk.
Maar daaruit volgt niet dat het kwaad zelf noodzakelijk was.
Dat voorkomt een gevaarlijke verschuiving.
Anders zouden we uiteindelijk moeten zeggen dat de dader noodzakelijk was voor de geestelijke ontwikkeling van het slachtoffer. Dat zou moreel onaanvaardbaar zijn en de Schrift geeft ons daar geen grond voor.
De dader blijft verantwoordelijk voor het kwaad dat hij doet.
Als God vervolgens herstel, wijsheid of volwassenheid voortbrengt uit een beschadigde geschiedenis, maakt dat de dader niet tot onmisbare medewerker van Gods goede bedoeling.
Gods vermogen om te vormen is groter dan het kwaad.
Het kwaad wordt daardoor niet noodzakelijk.
Dat onderscheid lijkt ook belangrijk wanneer we naar Christus kijken. Zijn lijden heeft een unieke plaats binnen Gods reddende handelen. We mogen zijn kruis daarom niet simpelweg als universeel schema gebruiken voor ieder menselijk lijden.
De kruisiging is niet zomaar één voorbeeld van persoonlijke groei door moeilijkheden.
Zij is de unieke zelfgave van Christus binnen Gods verlossingswerk.
Toch laat zijn leven wel zien dat gehoorzaamheid werkelijk geleefd wordt in omstandigheden die weerstand bieden. Zijn trouw is niet theoretisch.
Dat kan iets zeggen over volwassenheid zonder dat we daarmee ieder kwaad heilig verklaren.
Misschien bestaat er een vorm van menselijke volwassenheid die alleen werkelijk geleefd kan worden binnen geschiedenis.
Trouw is immers meer dan een abstracte eigenschap wanneer zij daadwerkelijk gekozen en gedragen wordt.
Liefde wordt concreet wanneer zij zich geeft.
Moed krijgt betekenis wanneer angst werkelijk bestaat.
Vergeving krijgt gestalte wanneer onrecht heeft plaatsgevonden.
Volharding wordt zichtbaar wanneer er iets is om in te volharden.
Maar ook hier moeten we niet te snel van mogelijkheid naar noodzaak springen.
Dat bepaalde deugden in een gevallen wereld zichtbaar worden door weerstand betekent niet dat God de val nodig had om een voltooide mensheid te kunnen vormen.
We weten eenvoudig niet of en hoe zulke volwassenheid zich in een ongevallen geschiedenis had kunnen ontwikkelen.
Daar moet ruimte voor open blijven.
De Schrift vertelt ons hoe God met een gevallen wereld handelt.
Zij geeft ons veel minder informatie over een volledig uitgeschreven alternatieve geschiedenis waarin Adam en Eva niet gezondigd zouden hebben.
Daarom moeten we oppassen dat we Gods werk in de gevallen geschiedenis niet verwarren met bewijs dat de val noodzakelijk was.
Wat we wel kunnen zeggen, is dat God de mens niet behandelt als een object dat alleen gereset moet worden.
Hij vormt.
Hij leert.
Hij roept.
Hij corrigeert.
Hij geeft verantwoordelijkheid.
Hij laat mensen werkelijk handelen.
Daarmee lijkt zijn doel niet alleen onschuld, maar volwassen gemeenschap.
Dat wordt zichtbaar in de taal van zoonschap.
Een zoon is meer dan een gehoorzame dienaar.
Hij leeft in relatie.
Hij ontvangt erfenis.
Hij draagt verantwoordelijkheid.
Hij wordt gevormd naar het karakter van het huis waartoe hij behoort.
Paulus gebruikt die taal niet om de mens tot God te maken, maar om de intimiteit en bestemming van de relatie te beschrijven.
De mens blijft schepsel.
Maar hij wordt niet op afstand gehouden.
Dat is misschien een van de meest verheven lijnen van de Schrift.
God redt de mens niet alleen van veroordeling.
Hij brengt hem in gemeenschap.
Hij geeft zijn Geest.
Hij vormt hem naar Christus.
Hij noemt hem kind en erfgenaam.
Dat is veel meer dan herstel naar juridische neutraliteit.
Daarom kan de uiteindelijke menselijkheid ook rijker zijn dan oorspronkelijke onschuld.
Niet omdat zonde nodig was.
Maar omdat Gods einddoel in Christus wordt beschreven in termen van heerlijkheid, onvergankelijkheid, zoonschap en gelijkvormigheid aan Hem.
Dat zijn sterke woorden.
Zij suggereren een mens die niet slechts teruggebracht wordt naar het moment vóór Genesis 3, maar tot een bestemming wordt gebracht waarin vrijheid, heiligheid en gemeenschap met God volledig bevestigd zijn.
Daarmee komt opnieuw de vraag naar vrijheid terug.
Als de uiteindelijke mens nog steeds werkelijk vrij is en toch niet opnieuw in zonde valt, dan blijkt dat vrijheid en permanente mogelijkheid tot kwaad niet hetzelfde zijn.
Volwassen vrijheid kan blijkbaar gevestigd zijn in het goede.
Christus is daarvan de eerste en beslissende openbaring.
Hij is niet minder vrij omdat Hij de Vader volmaakt liefheeft.
Hij is niet minder mens omdat zijn wil volledig in waarheid staat.
Juist daarin zien we wat vrijheid kan worden wanneer zij niet langer door leugen en begeerte verdeeld is.
Dat geeft ook een ander perspectief op onze huidige strijd.
De christelijke weg bestaat niet alleen uit het voortdurend onderdrukken van verkeerde verlangens terwijl de diepste wil onveranderd blijft.
Het Nieuwe Testament spreekt over vernieuwing.
Over een nieuwe mens.
Over een nieuw hart.
Over de vrucht van de Geest.
Dat betekent dat heiliging niet alleen gedragsbeheersing is.
Zij is vorming van verlangen.
De wil leert het goede niet alleen doen, maar ook liefhebben.
Daarmee wordt gehoorzaamheid steeds minder iets dat uitsluitend van buitenaf opgelegd wordt en steeds meer iets dat van binnenuit overeenkomt met de waarheid.
Dat is volwassenheid.
Niet dat de mens zelf de bron van het goede wordt.
Maar dat hij steeds vollediger leeft vanuit wat hij van God ontvangt.
Daarom is volwassen zoonschap geen zelfstandig bestaan naast God.
Het is diepe gemeenschap met Hem.
Dat verandert ook hoe we naar discipline kijken.
Hebreeën 12 spreekt over God als Vader die zijn kinderen vormt. Die vorming kan pijnlijk zijn. Correctie is niet altijd aangenaam. Grenzen kunnen nodig zijn. Een mens kan soms leren door gevolgen.
Maar opnieuw moet onderscheid gemaakt worden tussen vaderlijke discipline en het kwaad dat mensen elkaar aandoen.
Niet ieder verlies is straf.
Niet ieder trauma is opvoeding.
Niet ieder lijden is een les die God bewust in die vorm heeft ontworpen.
De Schrift geeft ons geen recht om zulke conclusies over het concrete lijden van anderen te trekken.
Dat is vooral belangrijk wanneer iemand kwetsbaar is.
Een slachtoffer heeft geen behoefte aan een theologie die zijn wond onmiddellijk omzet in ontwikkelingsmateriaal.
Soms is de eerste Bijbelse reactie eenvoudiger.
Dit had niet mogen gebeuren.
Dit was kwaad.
Er moet recht komen.
Pas daarna kan de vraag ontstaan wat God binnen deze geschiedenis nog kan herstellen en vormen.
De volgorde doet ertoe.
Want wanneer we te vroeg betekenis geven, kunnen we waarheid verliezen.
Volwassen geloof hoeft het kwaad niet noodzakelijk te maken om te geloven dat God sterker is dan het kwaad.
Misschien ligt daarin juist een belangrijk verschil tussen hoop en rationalisering.
Rationalisering zegt dat het kwaad uiteindelijk wel nodig zal zijn geweest.
Hoop zegt dat God zelfs uit wat niet nodig had hoeven gebeuren, leven kan voortbrengen.
Dat is een veel voorzichtiger en tegelijkertijd sterkere uitspraak.
Zij laat het kwaad werkelijk kwaad blijven.
En zij laat Gods vermogen werkelijk groot blijven.
Daarmee komen we ook dichter bij de grens van onze eigen verklaringen.
We hebben inmiddels veel lijnen onderzocht. Oorsprong van kwaad, vrijheid, macht, menselijke verantwoordelijkheid, Gods niet ingrijpen, de zuchtende schepping, historisch oordeel, menselijke bemiddeling, de geleidelijkheid van de heilsgeschiedenis en Christus als ware Mens.
Er ontstaat steeds meer samenhang.
Maar samenhang is nog geen totale verklaring.
Dat wordt nergens duidelijker dan in het boek Job.
Daar kent de lezer meer van de achtergrond dan Job zelf. Toch krijgt Job uiteindelijk geen volledig causaal antwoord op zijn lijden.
Zijn vrienden proberen juist wel een sluitend systeem te bouwen.
En precies daar gaat het mis.
Dat maakt Job essentieel voor onze volgende stap.
Want misschien ligt één van de grootste gevaren van theologie niet in te weinig antwoorden, maar in het geven van antwoorden die wij niet werkelijk gekregen hebben.