De schepping die zucht
13 minuten leestijd
Niet al het lijden ontstaat rechtstreeks uit menselijke keuzes. Ziekte, lichamelijk verval, natuurrampen en dood confronteren ons met een werkelijkheid waarin ook de schepping zelf kwetsbaar en vergankelijk is. Dit deel onderzoekt vooral Romeinen 8 en de vraag wat het betekent dat de schepping zucht, aan vergankelijkheid onderworpen is en uitziet naar bevrijding. Daarbij blijft het belangrijk om niet meer te zeggen dan de Schrift zelf zegt over de precieze oorsprong van ieder natuurlijk lijden.
Tot nu toe hebben we vooral gesproken over kwaad dat door menselijke wil, macht of nalatigheid ontstaat. Daar kunnen we daders aanwijzen, verantwoordelijkheden onderscheiden en vragen wie had moeten handelen. Maar niet al het lijden past in dat kader. Een kind dat wordt geboren met een ernstige aandoening heeft geen misbruiker nodig om te lijden. Een aardbeving kan duizenden mensen treffen zonder dat er één menselijke dader is. Een lichaam kan aftakelen terwijl niemand daar rechtstreeks voor gekozen heeft.
Dat vraagt om een andere benadering.
Wanneer we alleen over moreel kwaad spreken, ontstaat gemakkelijk de indruk dat al het lijden uiteindelijk uit menselijke handelingen te verklaren is. De Schrift geeft daar geen grond voor. Zij spreekt ook over een schepping die zelf zucht, over lichamen die sterven, over ziekte, hongersnood, stormen en een wereld waarin de dood macht heeft gekregen.
Romeinen 8 is daarvoor één van de belangrijkste teksten.
Paulus schrijft daar dat de schepping aan vruchteloosheid is onderworpen, niet vrijwillig, maar vanwege Hem die haar daaraan onderworpen heeft, in hoop dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij van het verderf en zal delen in de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen. Vervolgens zegt hij dat de hele schepping tot nu toe gezamenlijk zucht en in barensnood verkeert.
Dat is een opvallende beschrijving.
De schepping wordt niet voorgesteld als een neutraal toneel waarop alleen mensen verkeerde dingen doen. Er is iets met de toestand van de schepping zelf aan de hand. Zij bevindt zich volgens Paulus onder vergankelijkheid en ziet uit naar bevrijding.
Het Griekse woord dat in Romeinen 8 vaak met vergankelijkheid, verderf of corruptie wordt vertaald, phthora, draagt de gedachte van verval, ontbinding en ondergang. Het gaat dus niet alleen over morele slechtheid. Paulus spreekt over een werkelijkheid waarin dingen uiteenvallen, sterven en hun huidige vorm niet behouden.
Dat sluit aan bij wat we overal om ons heen zien. Lichamen verouderen. Cellen raken beschadigd. Organismen sterven. Ecosystemen veranderen. Geboorte en groei bestaan naast verval en dood.
De Bijbelse vraag is daarom niet alleen waarom mensen verkeerd handelen, maar ook waarom de geschapen werkelijkheid in deze toestand verkeert.
Hier moeten we meteen voorzichtig zijn.
De Schrift verbindt de menselijke val duidelijk met dood, moeite en een vervloekte aarde. Genesis 3 beschrijft dat de grond omwille van de mens vervloekt wordt en dat het menselijke bestaan gekenmerkt zal worden door moeite totdat de mens terugkeert tot het stof waaruit hij genomen is. Paulus verbindt in Romeinen 5 de zonde van Adam met de komst van de dood in de menselijke geschiedenis.
Daarmee is een nauwe verbinding tussen zonde en dood onmiskenbaar.
Maar de Schrift geeft ons geen volledige technische beschrijving van hoe ieder biologisch proces vóór en na de val precies functioneerde. Zij vertelt niet welke cellulaire mechanismen veranderden, hoe ecosystemen biologisch werden aangepast of hoe ieder natuurverschijnsel precies met Genesis 3 samenhangt.
Wanneer we zulke details invullen, verlaten we de tekst.
Dat betekent niet dat de val slechts symbolisch of zonder gevolgen was. Het betekent alleen dat de Bijbel vooral theologisch beschrijft wat er gebeurt: de verhouding tussen mens, aarde, arbeid, leven en dood verandert, en Paulus spreekt later over een schepping die aan vergankelijkheid is onderworpen.
De vraag blijft hoe breed we die werkelijkheid moeten begrijpen.
Was iedere vorm van lichamelijke kwetsbaarheid vóór de menselijke zonde afwezig? Kon geen enkel dier sterven? Kon geen boom beschadigd raken? Kon de mens lichamelijk gewond raken? De Schrift geeft op zulke vragen niet genoeg informatie om grote zekerheid te claimen.
Dat is belangrijk, omdat kwetsbaarheid niet automatisch hetzelfde is als kwaad.
Een geschapen lichaam is niet God. Het is ruimtelijk, tijdelijk en afhankelijk. Het kan moe worden. Het heeft voedsel nodig. Het bevindt zich in een omgeving die werkelijk op het lichaam inwerkt. Zulke eigenschappen hoeven op zichzelf geen moreel gebrek te zijn.
Ook Genesis 1 leert dat geschapen goedheid niet hetzelfde is als goddelijke onveranderlijkheid. De wereld bestaat uit processen, groei, onderscheid en ontwikkeling. Goed geschapen zijn betekent daarom niet vanzelfsprekend dat een schepsel alle eigenschappen bezit die alleen aan God toekomen.
Toch gaat Romeinen 8 verder dan gewone schepselmatigheid.
Paulus spreekt niet slechts over eindigheid. Hij spreekt over slavernij aan het verderf.
Dat is sterkere taal.
Er is dus een verschil tussen eenvoudigweg schepsel zijn en verkeren onder een macht van vergankelijkheid waarvan de schepping uiteindelijk bevrijd moet worden.
Dat onderscheid helpt ons om twee fouten te vermijden.
De eerste fout zou zijn om iedere vorm van lichamelijke afhankelijkheid of kwetsbaarheid al als kwaad te beschouwen. Dan zouden we bijna moeten zeggen dat schepsel-zijn zelf het probleem is.
De tweede fout zou zijn om dood en verderf slechts als normale, neutrale eigenschappen van de schepping te behandelen. Dat botst met de manier waarop Paulus de dood later de laatste vijand noemt die vernietigd moet worden.
De Bijbelse lijn lijkt subtieler.
Geschapen zijn betekent afhankelijk zijn.
Maar slavernij aan verderf is niet de uiteindelijke bestemming van het schepsel.
Dat verschil wordt zichtbaar in de hoop van het Nieuwe Testament. De oplossing voor de menselijke toestand is niet dat de mens ophoudt een lichaam te hebben. Het is opstanding. Het lichaam wordt niet afgeschaft, maar veranderd. Paulus spreekt in 1 Korintiërs 15 over vergankelijkheid die onvergankelijkheid aandoet en sterfelijkheid die onsterfelijkheid aandoet.
Daaruit blijkt dat het probleem niet lichamelijkheid zelf is.
Het probleem is een lichamelijkheid die onder de macht van verderf en dood staat.
Dat is belangrijk voor onze vraag naar ziekte.
Wanneer iemand ernstig ziek wordt, hoeven we niet te zeggen dat zijn lichaam op zichzelf slecht is. Het probleem is juist dat iets binnen het lichaam niet meer functioneert zoals het zou moeten. De orde van het leven wordt bedreigd door verval.
De Bijbel behandelt ziekte daarom meestal niet als iets dat op zichzelf gevierd moet worden. Mensen zoeken genezing. Jezus geneest zieken. De apostelen bidden voor zieken. Ziekte kan binnen Gods voorzienigheid een plaats krijgen en een mens kan binnen ziekte geestelijk gevormd worden, maar dat maakt ziekte zelf nog niet tot het goede einddoel van de schepping.
De genezingen van Jezus zijn in dat opzicht veelzeggend.
Wanneer Hij blinden laat zien, verlamden laat lopen en zieken herstelt, behandelt Hij lichamelijk herstel niet als een bedreiging voor geestelijke volwassenheid. Zijn genezingen passen bij de komst van Gods koninkrijk.
Dat betekent niet dat iedere gelovige in dit leven genezen zal worden. De Schrift zelf laat zien dat lijden en lichamelijke zwakte blijven bestaan. Maar de richting van Christus' handelen is belangrijk. Hij verheerlijkt de gebroken toestand niet als uiteindelijke bedoeling.
Nog duidelijker wordt dat bij de dood.
Jezus wekt doden op.
Paulus noemt de dood een vijand.
Openbaring spreekt over een toekomst waarin de dood niet meer zal zijn.
Daarmee is het moeilijk om de dood eenvoudig als een positieve gave van de oorspronkelijke orde te behandelen.
Tegelijk moeten we ook hier zorgvuldig onderscheiden.
Genesis 2 laat zien dat de mens toegang heeft tot de boom des levens. Genesis 3 zegt dat die toegang na de val wordt afgesloten, opdat de mens niet eet en eeuwig leeft in zijn gevallen toestand. Dat suggereert dat eeuwig leven geen zelfstandig bezit van de mens was.
De mens is dus ook vóór de val niet de bron van zijn eigen onvergankelijkheid.
Leven wordt ontvangen.
Dat past bij wat we eerder zagen. Afhankelijkheid van God is niet het gevolg van zonde. Zij behoort tot het mens-zijn zelf.
Daarom hoeven we de oorspronkelijke mens niet voor te stellen als een zelfstandig onsterfelijk wezen dat toevallig later sterfelijk werd. De Schrift geeft een relationeler beeld. God is de Bron van leven en de mens leeft van wat hij ontvangt.
De val brengt vervolgens een werkelijkheid waarin de terugkeer tot stof daadwerkelijk het menselijke lot wordt.
Dat maakt dood tegelijk meer dan een biologisch feit.
Zij wordt teken van oordeel en van de gebroken verhouding tot de Bron van leven.
Genesis 3 zegt niet alleen dat de mens vanzelf zal sterven omdat hij biologisch kwetsbaar was. God spreekt oordeel uit. De mens zal terugkeren tot het stof.
Daarom mogen we dood ook niet reduceren tot een automatisch natuurproces zonder goddelijke dimensie.
Maar evenmin moeten we ieder individueel sterven behandelen als een afzonderlijk oordeel over de persoonlijke zonde van degene die sterft.
Jezus verzet zich zelf tegen zulke eenvoudige verbanden. In Johannes 9 vragen de discipelen bij een blindgeboren man wie gezondigd heeft, hijzelf of zijn ouders. Jezus weigert die simpele causaliteit. Zijn blindheid wordt niet uitgelegd als directe straf voor een specifieke zonde van hem of zijn ouders.
Ook in Lukas 13 wijst Jezus op mensen die omkwamen toen een toren viel. Hij zegt niet dat zij grotere zondaars waren dan anderen.
Dat is essentieel.
De algemene verbinding tussen zonde, dood en een gebroken schepping betekent niet dat wij uit ieder individueel lijden persoonlijke schuld mogen afleiden.
Een kind met kanker is niet daarom schuldiger dan een gezond kind.
Een slachtoffer van een aardbeving is niet noodzakelijk slechter dan iemand wiens huis blijft staan.
Een persoon met een genetische aandoening draagt niet automatisch een specifieke morele schuld die zijn ziekte verklaart.
De Schrift geeft ons geen recht op zulke conclusies.
Daarmee ontstaat opnieuw een grens tussen algemene waarheid en specifieke verklaring.
Algemeen kunnen we zeggen dat we in een wereld leven waarin de schepping zucht en onder vergankelijkheid staat.
Maar waarom precies deze persoon deze ziekte krijgt en een ander niet, weten we vaak niet.
Dat lijkt op het probleem dat we in het vorige deel tegenkwamen.
We kunnen een bredere theologische context kennen zonder de concrete reden achter iedere individuele tragedie te kennen.
Dat voorkomt dat we een zieke mens opzadelen met een verklaring die God zelf niet gegeven heeft.
Toch blijft Romeinen 8 niet bij de diagnose.
De schepping zucht, maar zij zucht in hoop.
Paulus gebruikt zelfs het beeld van barensweeën. Dat beeld is belangrijk omdat barensweeën pijn zijn die naar iets nieuws verwijzen. De huidige werkelijkheid wordt dus niet alleen beschreven als langzaam stervend, maar als uitziend naar een nieuwe toestand.
We moeten ook dat beeld niet te ver uitrekken. Het betekent niet dat iedere afzonderlijke pijn noodzakelijk is omdat zij rechtstreeks iets nieuws produceert. Paulus spreekt over de schepping als geheel en haar beweging naar bevrijding.
De hoop ligt niet in het lijden zelf.
De hoop ligt in wat God met de schepping zal doen.
Dat onderscheid is wezenlijk.
Het lijden redt de schepping niet.
God bevrijdt de schepping.
Daarom zegt Paulus niet dat de slavernij aan het verderf uiteindelijk goed blijkt te zijn. Hij zegt dat de schepping ervan bevrijd zal worden.
Dat verandert de manier waarop we christelijk over vergankelijkheid spreken.
We hoeven haar niet te ontkennen.
We hoeven haar ook niet te verheerlijken.
We mogen haar benoemen als een toestand waarvan de schepping verlost moet worden.
Dat is misschien één van de meest nuchtere aspecten van de Bijbelse hoop. Het christendom vraagt niet van een mens om te leren dat dood eigenlijk leven is, dat ziekte eigenlijk gezondheid is of dat verlies eigenlijk geen verlies was.
De dood blijft een vijand.
De wond blijft een wond.
Het graf blijft een graf.
Maar zij krijgen niet het laatste woord.
Dat is heel iets anders dan zeggen dat zij uiteindelijk niet werkelijk kwaad of pijnlijk waren.
Paulus plaatst bovendien de hoop van de schepping rechtstreeks naast de hoop van de mens. Niet alleen de schepping zucht. Ook wijzelf zuchten in onszelf terwijl we uitzien naar de verlossing van ons lichaam.
Dat is opvallend.
De christelijke hoop is dus niet ontsnappen uit het lichaam.
Zij is de verlossing van het lichaam.
Niet verdwijnen uit de schepping.
Maar de bevrijding van de schepping.
Daarmee keert een patroon terug dat later steeds belangrijker zal worden. Gods antwoord op het kwaad is niet uiteindelijk het weggooien van wat beschadigd is. Hij brengt herstel en voltooiing.
Dat betekent dat de uiteindelijke hoop groter is dan individuele overleving na de dood.
De Schrift ziet uit naar opstanding.
Naar een bevrijde schepping.
Naar een werkelijkheid waarin het verderf zijn macht verloren heeft.
Dat maakt ook duidelijk waarom natuurlijke en lichamelijke vormen van lijden niet slechts een zijthema zijn binnen de vraag naar kwaad. Wanneer de dood zelf een vijand is, raakt het probleem dieper dan menselijk gedrag alleen.
Er is iets met de wereld zoals wij haar nu ervaren dat niet overeenkomt met haar uiteindelijke bestemming.
Maar hoe is die toestand precies ontstaan?
Hier moeten we opnieuw onderscheid maken tussen wat duidelijk is en wat open blijft.
Duidelijk is dat Genesis de menselijke zonde verbindt met oordeel, moeite en terugkeer tot stof.
Duidelijk is dat Paulus de dood met Adams zonde verbindt.
Duidelijk is dat Romeinen 8 de schepping onder vergankelijkheid beschrijft en haar toekomstige bevrijding verwacht.
Minder duidelijk is hoe ieder afzonderlijk natuurproces historisch met de menselijke val verbonden moet worden.
De Schrift geeft geen complete natuurkundige of biologische geschiedenis van de val.
Dat moeten we respecteren.
We hoeven geen details te verzinnen om de theologische lijn sterk te maken.
Die lijn is op zichzelf al diep genoeg.
De schepping is goed omdat zij van God komt.
De schepping is niet God en is daarom altijd afhankelijk.
De huidige schepping bevindt zich bovendien onder een toestand van verderf en dood die de Schrift niet als haar uiteindelijke bestemming beschouwt.
De mens deelt in die toestand.
Christus komt niet alleen om schuld juridisch weg te nemen, maar ook om uiteindelijk de macht van dood en verderf te breken.
Dat laatste wordt later in de reeks nog belangrijker.
Want als de uiteindelijke overwinning van God alleen zou bestaan uit een correct oordeel over mensen terwijl de schepping zelf voor altijd onder dood en verval bleef, zou een groot deel van het probleem onopgelost blijven.
De Schrift belooft iets groters.
De dood zelf moet verdwijnen.
Daarmee komen we ook dichter bij een moeilijk onderscheid dat we in het volgende deel nodig zullen hebben.
Tot nu toe hebben we gesproken over kwaad dat mensen doen en over lijden dat voortkomt uit een zuchtende schepping. Maar de Bijbel kent nog een derde categorie: momenten waarop God zelf binnen de geschiedenis oordeelt en dood of vernietiging niet eenvoudig aan menselijke daders kan worden toegeschreven.
De vloed.
Egypte.
Kanaän.
Daar kunnen we niet simpelweg zeggen dat God alleen aanwezig was als degene die menselijk kwaad achteraf herstelt.
Daar wordt Hij zelf als Rechter beschreven.
Dat vraagt om een andere vraag.
Wanneer is lijden het gevolg van menselijke zonde, wanneer behoort het tot een schepping onder vergankelijkheid, en wat moeten we zeggen wanneer de Schrift God zelf als degene beschrijft die historisch oordeel brengt?