Terug naar Geschriften
Deel 6|11 augustus 2026NL

Waar was God?

14 minuten leestijd

Nadat menselijke verantwoordelijkheid voluit is benoemd, blijft de moeilijkste vraag staan: waarom grijpt God niet altijd in wanneer mensen falen? De Schrift laat zien dat God kwaad kan begrenzen, mensen kan waarschuwen en soms rechtstreeks kan ingrijpen. Toch gebeurt dat niet in iedere situatie. Dit deel onderzoekt die spanning zonder vrije wil, voorzienigheid of menselijke verantwoordelijkheid te gebruiken als antwoord op een vraag die daarmee niet volledig wordt opgelost.

Onderdeel van de reeks

Waarom is er kwaad?

Deel 6 van 18

Bekijk de volledige reeks

In het vorige deel hebben we een noodzakelijke correctie aangebracht. Wanneer ernstig menselijk kwaad plaatsvindt, is het niet voldoende om alleen te vragen waar God was. De Schrift dwingt ons ook te kijken naar de dader, naar degene die verantwoordelijkheid droeg, naar degene die wist of had kunnen weten, en naar de mens die geroepen was om te beschermen maar niet handelde. Die menselijke verantwoordelijkheid moet volledig blijven staan.

Toch lost zij de oorspronkelijke vraag niet op.

Zelfs wanneer alle menselijke verantwoordelijkheid zorgvuldig in beeld is gebracht, blijft er een werkelijkheid over die niet naar de mens kan worden teruggeschoven. Als God werkelijk God is, als Hij niet machteloos tegenover de geschiedenis staat en als de Schrift laat zien dat Hij op andere momenten wel degelijk ingrijpt, waarom verhindert Hij dan niet ieder extreem kwaad?

Die vraag wordt het scherpst wanneer we haar niet abstract formuleren.

Waarom werd dit kind niet beschermd?

Waarom werd de hand van deze dader niet tegengehouden?

Waarom kwam er geen mens binnen op het beslissende moment?

Waarom werd een verborgen misdaad niet eerder zichtbaar?

Waarom kon iemand jarenlang doorgaan terwijl God volgens de Schrift zag wat mensen niet zagen?

Op dat punt wordt het moeilijk om nog langer over kwaad te spreken alsof we uitsluitend een theoretisch probleem onderzoeken. De vraag raakt rechtstreeks aan wat we over God geloven. We belijden dat Hij goed is. We belijden dat Hij macht heeft. We belijden dat niets werkelijk voor Hem verborgen is. Juist die overtuigingen maken zijn niet ingrijpen moeilijker, niet gemakkelijker.

Een zwakke god zou het probleem gedeeltelijk oplossen. Als God het kwaad eenvoudig niet kon verhinderen, zouden we tenminste begrijpen waarom sommige gebeurtenissen buiten zijn bereik vallen. Maar dat is niet de God die de Schrift beschrijft. De God van Exodus breekt de macht van Egypte. Hij opent de zee. Hij verlost Petrus uit de gevangenis. Hij waarschuwt mensen in dromen. Hij stuurt engelen. Hij geneest zieken. Hij brengt stormen tot bedaren. Hij kan koningen vernederen en omstandigheden veranderen.

De Bijbel laat daarom geen ruimte voor de gedachte dat God principieel niet in de geschiedenis kan ingrijpen.

Maar juist daardoor ontstaat de volgende vraag: waarom soms wel en soms niet?

Daar hebben we tot nu toe geen volledig antwoord op gevonden.

Vrije wil is onvoldoende. Zoals we eerder zagen, kan God een daad verhinderen zonder daarmee noodzakelijk de innerlijke wil van een mens uit te wissen. Een moordenaar die door een gesloten deur wordt tegengehouden, heeft zijn vrije wil niet verloren. Een misbruiker die wordt ontdekt voordat hij zijn slachtoffer bereikt, blijft verantwoordelijk voor wat hij wilde doen. Het begrenzen van macht is niet hetzelfde als het vernietigen van menselijke wil.

We kunnen daarom niet eenvoudig zeggen dat God ernstig kwaad moet toestaan omdat menselijke vrijheid anders niet werkelijk zou bestaan.

Ook menselijke verantwoordelijkheid is geen volledige verklaring. Het is waar dat God mensen roept om elkaar te beschermen. Het is waar dat veel kwaad doorgaat doordat mensen wegkijken, zwijgen of falen. Maar wanneer alle menselijke beschermers falen, blijft God niet opeens zonder mogelijkheden. De Schrift zelf laat zien dat Hij ook rechtstreeks kan handelen.

Daarom moeten we een grens trekken rond wat we werkelijk kunnen zeggen.

De Bijbel leert dat God macht heeft om in te grijpen.

De Bijbel leert dat Hij soms daadwerkelijk ingrijpt.

De Bijbel leert ook dat verschrikkelijke dingen plaatsvinden die Hij niet op diezelfde wijze verhindert.

Maar de Schrift geeft ons geen algemene regel waarmee we voor iedere afzonderlijke gebeurtenis kunnen verklaren waarom Hij in het ene geval ingreep en in het andere niet.

Dat is ongemakkelijk, omdat wij juist op dit punt naar een systeem verlangen. We zouden graag één principe vinden waarmee iedere gebeurtenis begrijpelijk wordt. Misschien beroepen we ons daarom zo snel op vrije wil, een groter plan, geestelijke vorming of Gods verborgen bedoelingen. Zulke begrippen kunnen in bepaalde situaties iets wezenlijks zeggen, maar zodra we ze als universele verklaring gebruiken, beginnen ze meer te zeggen dan de Schrift ons toestaat.

De uitspraak dat alles met een reden gebeurt is daarvan een duidelijk voorbeeld. Zij kan worden gebruikt om vertrouwen in Gods voorzienigheid uit te drukken, maar wordt problematisch zodra zij betekent dat achter iedere concrete gruweldaad een specifieke goede reden van God ligt waarvoor die daad noodzakelijk was.

Wanneer een kind wordt misbruikt, hoeven we niet te geloven dat dat misbruik noodzakelijk was voor een later goed.

Wanneer iemand wordt vermoord, hoeven we niet te zeggen dat de moord moest plaatsvinden zodat Gods plan kon slagen.

Wanneer een gezin door geweld wordt verwoest, hoeven we niet een verborgen positieve functie aan dat geweld toe te schrijven om Gods soevereiniteit te beschermen.

De Schrift geeft ons geen opdracht om kwaad op die manier te rechtvaardigen.

Dat betekent niet dat God geen goed kan voortbrengen uit een geschiedenis waarin mensen kwaad doen. Genesis 50 laat juist zien dat menselijke en goddelijke bedoeling binnen dezelfde geschiedenis verschillend kunnen zijn. Jozefs broers hebben kwaad tegen hem bedoeld, terwijl God dezelfde geschiedenis ten goede keert en gebruikt om leven te behouden. Het kwaad van de broers wordt daardoor niet achteraf goed genoemd. Hun bedoeling blijft kwaad.

Iets soortgelijks zien we in de kruisiging van Christus. Handelingen 2 en 4 spreken tegelijk over menselijke schuld en Gods raadsbesluit. De kruisiging staat niet buiten Gods voorzienigheid, maar degenen die Christus verwerpen en doden worden daarmee niet onschuldig verklaard. De Schrift kan dus Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid tegelijk vasthouden zonder van de kwade menselijke bedoeling Gods morele bedoeling te maken.

Dat onderscheid is essentieel.

God kan een geschiedenis waarin kwaad werkelijk heeft plaatsgevonden opnemen in zijn voorzienigheid zonder dat wij daarom hoeven te zeggen dat Hij het kwaad als kwaad verlangde.

Maar zelfs dat beantwoordt onze vraag nog niet volledig.

Dat God kwaad kan overwinnen, verklaart nog niet waarom Hij het vooraf niet verhinderde.

Dat God een slachtoffer kan herstellen, verklaart nog niet waarom het slachtoffer eerst gewond mocht worden.

Dat God een geschiedenis kan verlossen, verklaart nog niet waarom die geschiedenis deze specifieke wond bevat.

We moeten daarom oppassen dat we Gods vermogen om te herstellen niet gebruiken als verklaring voor het ontstaan van de wond.

Dat onderscheid wordt bijzonder belangrijk bij extreem lijden. Wanneer een mens na verschrikkelijk geweld opnieuw leert leven, liefde vindt, anderen helpt of een diepe geestelijke volwassenheid ontwikkelt, kunnen we dankbaar zijn voor het goede dat uit een beschadigde geschiedenis voortkomt. Maar daaruit volgt niet dat de oorspronkelijke beschadiging noodzakelijk was om dat goede mogelijk te maken.

God kan iets uit kwaad voortbrengen zonder dat het kwaad daarom nodig was.

Dat lijkt een kleine formulering, maar zij beschermt iets fundamenteels. Zij voorkomt dat de dader onbedoeld een noodzakelijke medewerker aan Gods goede plan wordt. Een misbruiker wordt niet de onmisbare oorzaak van de latere kracht van zijn slachtoffer. De dader deed kwaad. Als God daarna geneest, herstelt en nieuw leven voortbrengt, behoort de eer daarvoor aan God, niet aan het kwaad.

Toch blijft Gods oorspronkelijke niet ingrijpen daarmee onverklaard.

Misschien moeten we daarom leren onderscheiden tussen wat de Schrift ons over Gods algemene verhouding tot kwaad leert en wat wij over een specifieke gebeurtenis kunnen weten.

Over het algemene kunnen we veel zeggen. God noemt kwaad niet goed. Hij oordeelt het. Hij roept mensen tot bekering. Hij stelt grenzen. Hij beschermt kwetsbaren in zijn geboden. Hij kan kwaad gebruiken zonder zelf kwaad te worden. Hij kan een beschadigde geschiedenis herstellen. Hij zal uiteindelijk rechtspreken.

Maar wanneer iemand ons vraagt waarom God op één specifiek moment geen hand tussen een kind en zijn misbruiker plaatste, beschikken we niet ineens over dezelfde hoeveelheid kennis.

Misschien weten we het eenvoudig niet.

Dat antwoord kan onbevredigend voelen, maar onbevredigend is niet hetzelfde als oneerlijk.

De Bijbel zelf kent die grens.

Job is daarvan misschien het duidelijkste voorbeeld. De lezer krijgt aan het begin van het boek informatie over een hemelse werkelijkheid waarvan Job zelf niets weet. Job kent de aanleiding van zijn lijden niet. Zijn vrienden proberen die leemte op te vullen met een sluitend theologisch systeem. Volgens hen moet Jobs lijden uiteindelijk verklaard kunnen worden vanuit zijn eigen zonde of uit een eenvoudige orde van vergelding.

Het probleem is niet dat zij helemaal niets waars zeggen over God, zonde of oordeel. Het probleem is dat zij algemene waarheden gebruiken om een specifieke situatie te verklaren waarvoor zij de kennis niet bezitten.

Daarmee wordt hun theologie een vorm van onrecht tegenover de lijdende mens.

Dat is een belangrijke waarschuwing.

Het feit dat wij geloven dat God wijs is, geeft ons geen toegang tot iedere reden van zijn handelen of niet handelen.

Het feit dat wij geloven in voorzienigheid betekent niet dat wij de verborgen structuur van iedere tragedie kunnen reconstrueren.

Het feit dat God iets ten goede kan keren betekent niet dat wij daarom mogen zeggen waarom Hij het liet gebeuren.

Job krijgt uiteindelijk ook geen uitgewerkte causale verklaring. Gods antwoord opent zijn blik voor een werkelijkheid die veel groter is dan zijn eigen kennis. Dat is geen ontwijking van Jobs pijn, maar ook geen bevredigend schema waarin ieder verlies wordt uitgelegd.

De Schrift bewaart daarmee iets wat wij gemakkelijk verliezen: het verschil tussen vertrouwen en verklaren.

Een mens kan God vertrouwen zonder te weten waarom een specifieke gebeurtenis niet werd verhinderd.

Dat vertrouwen mag echter niet goedkoop worden.

We kunnen niet tegen een slachtoffer zeggen dat het maar moet vertrouwen en daarmee de ernst van zijn vraag beëindigen. Vertrouwen in de Bijbel kan juist de vorm aannemen van klacht. De psalmen laten gelovigen spreken vanuit verwarring, verlatenheid en soms zelfs het gevoel dat God zich verborgen houdt.

“Hoe lang nog?”

“Waarom verbergt U uw aangezicht?”

“Waarom staat U van verre?”

Zulke woorden bestaan binnen de Schrift omdat geloof niet vereist dat iedere ervaring onmiddellijk in een sluitende verklaring wordt ondergebracht.

Soms is de meest gelovige reactie juist dat iemand zijn verwarring voor God brengt zonder te doen alsof zij al is opgelost.

Daarom moeten we ook voorzichtig zijn met het woord toestemming. We zeggen vaak dat God kwaad “toestaat”. Dat woord kan nuttig zijn wanneer we ermee bedoelen dat iets niet buiten zijn uiteindelijke heerschappij valt en toch plaatsvindt zonder dat Hij het verhindert. Maar het kan ook misleidend worden wanneer het klinkt alsof God bij iedere misdaad rustig een afzonderlijke morele goedkeuring verleent.

De Bijbel gebruikt verschillende manieren om over Gods verhouding tot gebeurtenissen te spreken. God gebiedt sommige dingen. Hij verbiedt andere. Hij laat gebeurtenissen plaatsvinden. Hij begrenst kwaad. Hij geeft mensen soms over aan de gevolgen van hun keuzes. Hij oordeelt. Hij leidt gebeurtenissen naar een uitkomst die menselijke bedoelingen overstijgt.

Al die categorieën onder één eenvoudig woord als “wil” brengen kan meer verwarring scheppen dan helderheid.

Wanneer wij zeggen dat iets Gods wil was, moeten we daarom vragen wat we precies bedoelen. Bedoelen we dat God het gebood? Dat Hij het moreel goedkeurde? Dat Hij het niet verhinderde? Dat Hij het binnen zijn voorzienigheid opnam? Of dat Hij het als oordeel beschikte?

Die verschillen zijn niet klein.

Een moord kan plaatsvinden binnen een geschiedenis die niet buiten Gods voorzienigheid valt, terwijl Gods gebod nog steeds zegt dat men niet mag moorden.

Een menselijke daad kan dus werkelijk onder Gods heerschappij plaatsvinden zonder daarmee zijn morele goedkeuring te ontvangen.

Dat helpt voorkomen dat Gods soevereiniteit en Gods goedheid tegen elkaar worden uitgespeeld. Het lost echter opnieuw niet iedere vraag op. We kunnen beschrijven dat God een gebeurtenis niet verhinderde zonder daarmee te weten waarom Hij dat niet deed.

Dat “waarom” blijft.

Misschien is dit het punt waarop een theologie volwassen genoeg moet worden om niet meer te spreken dan zij weet.

We weten niet waarom ieder kind wordt beschermd.

We weten ook niet waarom ieder kind dat niet wordt beschermd, niet werd beschermd.

We weten niet waarom sommige daders vroeg worden ontmaskerd en andere jarenlang verborgen blijven.

We weten niet waarom een gebed om bevrijding soms bijna onmiddellijk lijkt te worden beantwoord en in een ander geval jarenlang geen zichtbare verandering brengt.

Wanneer de Schrift die concrete reden niet geeft, mogen wij haar niet namens God verzinnen.

Dat betekent niet dat we niets weten.

We weten dat de dader verantwoordelijk blijft.

We weten dat nalatigheid werkelijk schuld kan zijn.

We weten dat God kwaad niet als goed definieert.

We weten dat Christus zich niet met de onderdrukker identificeert tegen het slachtoffer, maar juist de kwetsbare, vernederde en lijdende mens ernstig neemt.

We weten dat oordeel bestaat.

We weten dat herstel mogelijk is.

We weten dat de dood en het kwaad volgens de Schrift niet het laatste woord houden.

Maar tussen die grote waarheden en de concrete vraag waarom één specifieke wond niet werd voorkomen, blijft ruimte bestaan die de Schrift niet volledig invult.

Misschien willen wij die ruimte te snel sluiten omdat openheid ons bang maakt. Een onbeantwoord waarom voelt alsof het hele geloof onzeker wordt. Maar misschien hoeft dat niet zo te zijn.

Abraham vraagt God in Genesis 18 of de Rechter van de hele aarde geen recht zal doen. Die vraag is opmerkelijk. Abraham gelooft in Gods rechtvaardigheid en juist daarom durft hij Gods voorgenomen oordeel te ondervragen. Zijn vertrouwen maakt de vraag niet onmogelijk, maar mogelijk.

Dat geeft ons een andere houding tegenover het probleem van Gods niet ingrijpen. We hoeven Gods goedheid niet los te laten om de vraag werkelijk te stellen. We hoeven evenmin de vraag kleiner te maken om Gods goedheid te behouden.

We kunnen beide vasthouden.

God is goed.

En ik begrijp niet waarom Hij dit niet heeft verhinderd.

Die twee uitspraken kunnen naast elkaar bestaan zonder dat de tweede onmiddellijk door een theorie wordt opgeheven.

Misschien is dat voorlopig eerlijker dan zeggen dat ieder kwaad noodzakelijk was voor een hoger doel.

Christus maakt die spanning niet ongedaan, maar Hij verandert wel de plaats vanwaaruit we haar bekijken. In Hem blijft God niet buiten een wereld waarin mensen lijden. Hij treedt haar binnen. Hij kent verwerping, onrecht, lichamelijke pijn en dood. Hij wordt door menselijke macht veroordeeld, vernederd en gedood.

Dat is geen antwoord op de vraag waarom ieder ander lijden werd toegestaan. De kruisiging van Christus mag nooit worden gebruikt alsof zijn lijden de causale verklaring voor het lijden van ieder slachtoffer vormt.

Maar zij zegt wel iets beslissends over Gods verhouding tot een lijdende wereld.

God staat in Christus niet alleen boven het verhaal als Rechter. Hij betreedt het verhaal ook als degene die verwond wordt.

Het christelijke antwoord op kwaad is daarom uiteindelijk niet alleen een theorie over waarom God gebeurtenissen toestaat. Het is ook de komst van God in een werkelijkheid waarin het kwaad werkelijk pijn doet.

Zelfs daarmee blijft de vraag uit het begin echter staan.

Waarom dit kind?

Waarom deze nacht?

Waarom geen ingrijpen op dit moment?

Op dit punt moeten we de vraag niet opnieuw bedekken.

We weten het niet.

Dat is geen conclusie over Gods onverschilligheid. De rest van de Schrift geeft daarvoor geen grond. Het is een conclusie over de grens van onze kennis.

Later in deze reeks zullen we onderzoeken wat de Schrift zegt over een schepping die zelf zucht, over Gods oordeel, over de ontwikkeling van de heilsgeschiedenis, over Christus als ware Mens, over Job en uiteindelijk over opstanding en nieuwe schepping. Misschien zullen die lijnen de grotere werkelijkheid waarin deze vraag staat steeds duidelijker maken.

Maar ook dan moeten we oppassen dat een groter beeld niet verandert in een verzonnen reden voor iedere afzonderlijke tragedie.

Sommige vragen kunnen theologisch verdiept worden zonder volledig te verdwijnen.

Misschien hoort deze daarbij.

Waar was God?

De Schrift geeft ons voldoende om te zeggen dat Hij niet afwezig is uit zijn schepping, dat Hij het kwaad ziet, dat Hij mensen ter verantwoording roept en dat Hij uiteindelijk recht zal doen.

Maar waarom Hij op ieder afzonderlijk moment handelt zoals Hij handelt, is ons niet gegeven.

Daarom mag een christen soms voor God staan met een zin die tegelijkertijd geloof en onbegrip bevat:

Ik geloof dat U goed bent, en juist daarom begrijp ik niet waarom U dit niet hebt verhinderd.