Terug naar Geschriften
Deel 5|10 augustus 2026NL

Waar was de mens?

12 minuten leestijd

Wanneer kwaad plaatsvindt, vragen we vaak waar God was. Die vraag is legitiem, maar de Schrift stelt er een tweede naast: waar was de mens? Dit deel onderzoekt zonde van daad en zonde van nalatigheid, de verantwoordelijkheid om de kwetsbare te beschermen en de Bijbelse roeping om hoeder te zijn. Niet iedereen rondom een slachtoffer is automatisch schuldig, maar wie wist, had moeten weten of werkelijk kon handelen en dat naliet, draagt verantwoordelijkheid.

Onderdeel van de reeks

Waarom is er kwaad?

Deel 5 van 18

Bekijk de volledige reeks

Wanneer ernstig kwaad plaatsvindt, komt de vraag bijna vanzelf op waar God was. Waar was Hij toen een kind werd misbruikt? Waar was Hij toen iemand jarenlang werd uitgebuit? Waar was Hij toen signalen zichtbaar waren en niemand ingreep? Die vragen mogen gesteld worden. De Schrift verbiedt ze niet. Job stelt ze, de psalmen stellen ze en de profeten stellen ze. Later in deze reeks zullen we terugkomen op de moeilijke vraag waarom God soms niet rechtstreeks ingrijpt terwijl Hij dat volgens de Schrift wel zou kunnen.

Maar wanneer alleen die vraag gesteld wordt, ontstaat een risico. We kunnen zo diep naar Gods verantwoordelijkheid kijken dat onze eigen verantwoordelijkheid uit beeld verdwijnt.

Genesis laat dat probleem al vroeg zien. Nadat Kaïn zijn broer Abel heeft gedood, vraagt God hem: “Waar is Abel, uw broer?” Kaïn antwoordt: “Ik weet het niet. Ben ik de hoeder van mijn broer?” Dat antwoord is meer dan een poging om informatie achter te houden. Het bevat een diepere weigering om verantwoordelijkheid voor de ander te erkennen.

De vraag achter zijn antwoord is herkenbaar: waarom zou het leven van mijn broer mijn verantwoordelijkheid zijn? Waarom zou zijn veiligheid iets met mij te maken hebben? De Schrift ontwikkelt door haar hele verhaal heen een antwoord waarin mens-zijn juist wél relationele verantwoordelijkheid inhoudt.

De mens wordt niet alleen geroepen om zelf geen kwaad te doen. Hij wordt geroepen om het goede te dragen. Dat begint al in Genesis. Adam krijgt de opdracht de tuin te bewerken en te bewaren. Het Hebreeuwse werkwoord dat met bewaren wordt vertaald kan ook de betekenis van bewaken en behoeden dragen. De menselijke roeping is daarmee niet uitsluitend productief, maar ook beschermend. De mens ontvangt iets dat hem is toevertrouwd en waarvoor hij verantwoordelijkheid draagt.

Na de val wordt die verantwoordelijkheid steeds concreter. De sterke mag de zwakke niet uitbuiten. De vreemdeling mag niet worden onderdrukt. De weduwe en de wees moeten worden beschermd. Rechters moeten recht spreken en koningen worden aangesproken op gerechtigheid. Wie macht ontvangt, ontvangt daarmee ook verantwoordelijkheid.

Zonde kan daarom niet volledig worden teruggebracht tot de vraag wat iemand verkeerd gedaan heeft. Er bestaat daarnaast een tweede vraag: wat had iemand moeten doen?

Actieve zonde is gemakkelijk te herkennen. Iemand liegt, steelt, mishandelt, misbruikt of doodt. Er is een daad en er is een dader. Maar de Schrift kent ook het kwaad van nalatigheid. Jakobus zegt dat wie weet goed te doen en het niet doet, zondigt. Dat is een scherpe uitspraak, omdat zonde daar niet ontstaat doordat iemand actief een verboden daad uitvoert, maar doordat een goed dat binnen zijn verantwoordelijkheid lag niet wordt gedaan.

Daarmee wordt onze morele horizon groter. Een mens kan zelf niemand mishandelen en toch ernstig falen wanneer hij bewust nalaat degene die mishandeld wordt te beschermen. Hij kan zelf niet liegen en toch bijdragen aan onwaarheid door te zwijgen wanneer waarheid noodzakelijk is. Hij kan zelf geen corruptie bedrijven en toch een corrupt systeem helpen voortbestaan wanneer hij verantwoordelijkheid draagt en bewust wegkijkt.

Dat betekent niet dat iedereen verantwoordelijk is voor alles. Zo'n conclusie zou onrechtvaardig zijn. Verantwoordelijkheid vraagt om onderscheid. Wat wist iemand werkelijk? Wat had hij redelijkerwijs kunnen weten? Welke positie had hij? Welke macht bezat hij om te handelen? Welke risico's waren zichtbaar? Had hij daadwerkelijk een mogelijkheid om te beschermen of in te grijpen? Die vragen zijn noodzakelijk wanneer we nalatigheid beoordelen.

Bij extreme vormen van slachtofferschap moet de eerste morele uitspraak altijd helder blijven: de primaire schuld ligt bij de dader. Wanneer een kind wordt misbruikt, heeft de dader gekozen, macht misbruikt en de grens van een kwetsbaar mens geschonden. Die verantwoordelijkheid mag nooit worden verdund.

Maar soms stopt de geschiedenis daar niet. Er kunnen signalen zijn geweest. Misschien heeft een kind geprobeerd iets te vertellen, misschien zag iemand gedrag dat niet klopte, misschien wist een instelling meer dan zij erkende, of misschien was iemand verantwoordelijk voor toezicht en koos hij reputatie boven waarheid. In zulke situaties ontstaat naast daderschap ook de vraag naar wat niet werd gedaan.

Niet ieder gemist signaal is schuld. Mensen kunnen werkelijk iets niet weten, signalen verkeerd begrijpen of geen toegang hebben tot de waarheid. Maar waar kennis, verantwoordelijkheid en werkelijke mogelijkheid tot handelen samenkomen, kan nietsdoen moreel gewicht krijgen.

Daarom spreekt de Schrift niet alleen daders aan, maar ook leiders en hoeders. Profeten veroordelen herders die zichzelf voeden terwijl de kudde verwaarloosd wordt. Rechters worden aangesproken wanneer zij de kwetsbare geen recht doen. Rijken worden aangesproken wanneer zij de nood van armen negeren. Religieuze leiders worden veroordeeld wanneer zij lasten opleggen zonder zelf te helpen dragen. Het kwaad zit dan niet alleen in geweld, maar ook in het verlaten van verantwoordelijkheid.

Jezus maakt dat bijzonder zichtbaar in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Een man ligt gewond langs de weg nadat hij is beroofd en mishandeld. De primaire daders zijn de rovers. Dat verandert niet. Maar vervolgens komen een priester en een Leviet voorbij. Zij slaan hem niet en zij hebben zijn verwondingen niet veroorzaakt. Hun morele falen ligt in het feit dat zij voorbijlopen.

Juist daarom is deze gelijkenis zo belangrijk voor onze vraag. De wereld wordt niet alleen gevormd door degenen die kwaad doen, maar ook door de reactie van degenen die het kwaad aantreffen. De Samaritaan wordt de naaste omdat hij zijn leven niet afsluit voor de nood van een ander. Hij ziet, stopt, verzorgt de wonden, brengt de man naar een veilige plek en neemt verantwoordelijkheid voor verdere zorg. Zijn barmhartigheid blijft niet bij een gevoel. Zij wordt handelen.

Daarmee keert de vraag van Kaïn terug. “Ben ik de hoeder van mijn broer?” De beweging van de Schrift lijkt steeds duidelijker te antwoorden dat de mens niet de absolute eigenaar van het leven van zijn broer is, maar evenmin vrij is om diens kwetsbaarheid volledig als een privéprobleem te behandelen.

Mattheüs 25 maakt dat nog scherper. Wanneer Jezus over oordeel spreekt, noemt Hij niet alleen spectaculaire misdaden. Hij spreekt ook over honger die niet werd gevoed, dorst die niet werd gelest, een vreemdeling die niet werd ontvangen, naaktheid die niet werd bedekt en ziekte waarin iemand niet werd bezocht. Een groot deel van de aanklacht betreft wat niet gebeurde.

Dat betekent dat Bijbelse goedheid actief is. Een mens kan een leven leiden waarin hij niemand zichtbaar beschadigt en toch ernstig tekortschieten in liefde, bescherming en recht. Onze morele beoordeling kan daarom niet uitsluitend gebouwd worden op de vraag of wij zelf de dader waren. Soms is de vraag ook of wij aanwezig waren waar onze verantwoordelijkheid begon.

Dat raakt rechtstreeks aan het probleem van kwaad. Wij kunnen terecht vragen waarom God een slachtoffer niet beschermd heeft. Maar wanneer dat slachtoffer leefde binnen een netwerk van mensen die verantwoordelijkheid droegen, moet daarnaast onderzocht worden waar die mensen waren. Dat is geen automatische beschuldiging van ouders, leiders, instanties of gemeenschappen. Het is een onderzoek naar werkelijke verantwoordelijkheid.

Dat onderscheid is belangrijk, omdat wij anders gemakkelijk een scheve beweging maken. We houden God verantwoordelijk voor iedere mogelijkheid tot bovennatuurlijk ingrijpen, terwijl we menselijke mogelijkheden tot gewoon en concreet ingrijpen nauwelijks onderzoeken. Gods macht maakt menselijke verantwoordelijkheid echter niet onbelangrijk. De Schrift laat juist zien dat God mensen verantwoordelijkheid toevertrouwt.

Mozes is daarvan een sterk voorbeeld. Wanneer God in Exodus zegt dat Hij de ellende van Israël gezien heeft, hun geroep gehoord heeft en hun lijden kent, volgt niet alleen een bovennatuurlijk ingrijpen. God roept Mozes en zendt hem naar Farao. God ziet het lijden van een volk en betrekt een mens in zijn bevrijdende handelen.

Mozes reageert aanvankelijk met twijfel en weerstand. Hij vraagt wie hij is om naar Farao te gaan, vraagt wat hij moet zeggen en wijst op zijn moeite met spreken. Zijn reactie laat zien dat roeping niet automatisch gehoorzaamheid voortbrengt. Een geroepen mens kan aarzelen en proberen verantwoordelijkheid terug te geven. Toch blijft God hem roepen.

Daarmee wordt duidelijk dat menselijke deelname werkelijk gewicht heeft. God heeft Mozes niet nodig omdat Hij zonder hem machteloos is. De plagen laten juist zien dat God rechtstreeks handelt. Maar binnen dat handelen staat Mozes als bemiddelaar, spreker en leider. Gods macht en menselijke deelname worden niet tegen elkaar uitgespeeld.

Dat patroon loopt door de Schrift heen. Abraham pleit voor anderen, profeten spreken tegenover macht, rechters moeten recht doen, Esther moet beslissen of zij haar positie gebruikt wanneer haar volk bedreigd wordt en de apostelen worden gezonden. Steeds opnieuw krijgt een mens iets toevertrouwd dat verder reikt dan zijn eigen privéleven.

Misschien behoort dat wezenlijk tot wat het betekent om Gods beeld te dragen. Genesis definieert die uitdrukking niet volledig, maar de directe context verbindt Gods beeld wel met menselijke verantwoordelijkheid binnen de schepping. De mens vertegenwoordigt niet alleen zichzelf. Hij ontvangt een roeping om binnen Gods wereld te handelen.

Daarmee wordt onze eerdere conclusie sterker. De mens is niet alleen ontvanger, maar ook drager. Wat van God ontvangen wordt, krijgt een richting naar buiten. Waarheid moet gesproken worden, recht gedaan, macht verantwoord gebruikt, kwetsbaarheid beschermd en leven behoed. Nalatigheid kan daardoor soms de afwezigheid zijn van precies datgene waarvoor kennis, macht of positie gegeven waren.

Een vader ontvangt bijvoorbeeld gezag zodat zijn kind beschermd en gevormd wordt. Wanneer hij dat gezag gebruikt om zijn kind te beschadigen, is dat actief kwaad. Wanneer hij weet dat iemand anders zijn kind beschadigt en bewust niet handelt terwijl hij werkelijk kan beschermen, faalt dezelfde roeping op een andere manier. Een rechter kan corrupt oordelen, maar kan ook ernstig tekortschieten door recht te weigeren wanneer hij weet dat onrecht plaatsvindt.

Dat helpt begrijpen waarom Jezus de wet samenvat in liefde tot God en liefde tot de naaste. Liefde is niet slechts het vermijden van verboden handelingen. Zij vraagt ook wat de ander van mij nodig heeft wanneer zijn leven werkelijk binnen mijn verantwoordelijkheid komt.

Dat betekent niet dat een mens ieder probleem van iedereen moet oplossen. Wij zijn eindig. We kunnen niet overal zijn en hebben niet tegenover ieder mens dezelfde verantwoordelijkheid. Juist daarom wordt concrete roeping belangrijk. Wie is werkelijk aan mij toevertrouwd? Waar heb ik daadwerkelijke invloed? Welke waarheid ken ik? Waar kan ik redelijk handelen?

De Schrift vraagt niet van een mens dat hij God wordt. Zij vraagt wel dat hij trouw is binnen wat hem gegeven is.

Daarmee ontstaat een belangrijke correctie op onze neiging om alleen naar boven te wijzen. Wanneer we zeggen dat God had kunnen ingrijpen, stellen we binnen het christelijke geloof een legitieme vraag. Maar voordat die vraag ons van ieder ander onderzoek ontslaat, moeten we ook nagaan hoeveel menselijk ingrijpen mogelijk was en waarom het niet gebeurde.

Dat is geen verdediging van Gods zwijgen. Het is een weigering om menselijke schuld in dat zwijgen te laten verdwijnen.

De vraag “waar was God?” blijft daarom staan. Maar “waar was de mens?” moet ernaast blijven staan.

Tegelijk moeten we hier een strikte grens bewaken. Deze gedachte mag nooit tegen een slachtoffer worden gebruikt om verantwoordelijkheid naar hem terug te schuiven. Een misbruikt kind heeft niet gefaald doordat het zichzelf niet beschermd heeft. Een slachtoffer van geweld is niet schuldig omdat het niet sterk genoeg was om weg te komen. Kwetsbaarheid is geen schuld. De verantwoordelijkheid ligt juist zwaarder bij degene die macht bezat en bij degene die een concrete beschermende verantwoordelijkheid droeg.

Daarom is de Bijbelse zorg voor zwakken zo belangrijk. Gods rechtvaardigheid wordt zichtbaar in de ernst waarmee hun bescherming wordt behandeld. Hoe meer macht iemand ontvangt, hoe groter niet alleen zijn mogelijkheid om goed of kwaad te doen, maar ook zijn verantwoordelijkheid.

Een kind draagt niet dezelfde verantwoordelijkheid als de volwassene die voor hem moet zorgen. Een burger en een rechter dragen niet dezelfde verantwoordelijkheid binnen een rechtszaak. Een gemeentelid en een leider dragen niet dezelfde verantwoordelijkheid wanneer signalen van misbruik bekend zijn. Gelijkheid van menselijke waardigheid betekent niet gelijkheid van verantwoordelijkheid in iedere situatie.

Misschien moeten we daarom één van onze grootste vragen over kwaad soms omkeren. Wij vragen waarom God zoveel verantwoordelijkheid aan mensen gegeven heeft, maar de confronterender vraag kan zijn wat wij met die verantwoordelijkheid hebben gedaan. Veel van het kwaad waarover wij God ter verantwoording roepen wordt door mensen gedaan, door menselijke systemen gedragen, door menselijke stilte beschermd of door menselijke lafheid verlengd.

Dat geldt niet voor alle vormen van lijden. Ziekte, natuurrampen, lichamelijk verval en andere vormen van vergankelijkheid vragen een andere analyse. Daar komen we later op terug. Maar bij moreel kwaad moeten menselijk daderschap en menselijke nalatigheid voluit blijven staan.

Anders herhalen we misschien precies de beweging die na de eerste zonde al zichtbaar wordt. Adam wijst naar de vrouw, de vrouw naar de slang en Kaïn ontwijkt de verantwoordelijkheid voor zijn broer. De richting van verantwoordelijkheid gaat steeds naar buiten. De Schrift trekt haar terug naar de mens en vraagt wat hij gedaan heeft met wat hem was toevertrouwd.

Een Bijbelse zoektocht naar kwaad kan daarom nooit alleen een ondervraging van God zijn. Zij wordt uiteindelijk ook een onderzoek van onszelf. Niet omdat alle lijden onze persoonlijke schuld is, maar omdat wij deel uitmaken van een wereld waarin God mensen werkelijke verantwoordelijkheid voor elkaar heeft gegeven.

Misschien is één van Gods antwoorden op de roep van een lijdend mens daarom soms geen onmiddellijke stem uit de hemel, maar een andere mens die geroepen wordt om te zien, te luisteren, te spreken, te beschermen en niet voorbij te lopen.

Wanneer die mens niet gaat, ontstaat naast het oorspronkelijke kwaad nog een tweede breuk: de afwezigheid van de hoeder.